Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF5061

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-02-2003
Datum publicatie
26-02-2003
Zaaknummer
BK 1133/01 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2003/28.1.12

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 1133-01 21 februari 2003

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z

(: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de Belastingdienst Particulieren te Groningen, vestiging Assen (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen over het jaar 1999.

1. Ontstaan en loop van het geding

Belanghebbende werd voor het jaar 1996 in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen, als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold (: de wet) van ƒ 69.157,--.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak, naar de inspecteur stelt van 29 oktober 2001, afwijzend beslist. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift, hetwelk op 20 december 2001 is ingekomen. De inspecteur heeft vervolgens op 28 maart 2002 een verweerschrift (met bijlagen) ingezonden. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 24 oktober 2002, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren belanghebbende, alsmede de inspecteur. Belanghebbende heeft ter zitting een door hem voorgedragen pleitnota overgelegd. Het hof heeft in deze zaak op 7 november 2002 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, op 21 november 2002, aan partijen is verzonden.

Bij een op 23 december 2002 ter griffie ingekomen brief heeft belanghebbende verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het daartoe verschuldigde griffierecht is op 23 januari 2003 voldaan.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

Belanghebbende is werkzaam als ambtenaar bij A van de gemeente L. Zijn totale bruto loon bedroeg in het onderhavige jaar ƒ 75.152,--. Voorts genoot belanghebbende inkomsten uit werkzaamheden die niet in dienstbetrekking zijn verricht voor de raad van toezicht bij de stichting B tot een totaalbedrag van ƒ 2.553,--.

Belanghebbende beschikt per ultimo 1999 over een vermogen van ƒ 32.000,--. Het vermogen bestaat uit een bank- en een girorekening. Belanghebbende heeft in 1999

ƒ 789,-- aan rente ontvangen over de bankrekening. De girorekening is verdeeld in een betaalrekening en een effectendepot. Per 25 januari 2000 bedraagt het saldo van de girorekening ƒ 11.214,-- en per 31 december 1999 bedraagt het saldo van het effectendepot ƒ 5.293,--. Voorts heeft belanghebbende ƒ 152,-- aan rente genoten over de girorekening en ƒ 130,-- aan contant dividend. Daarnaast heeft belanghebbende

ƒ 961,-- aan rente betaald op de girorekening.

In de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1999 heeft belanghebbende zijn belastbaar inkomen berekend op

ƒ 68.216,--. Belanghebbende heeft hierbij de kosten van een werkruimte ten behoeve van vermogensbeheer becijferd op

ƒ 1.633,-- en deze kosten in mindering gebracht op de ontvangen rente-inkomsten ten bedrag van f. 941,-- en ter zake van rente vervolgens nihil aangegeven.

De inspecteur heeft de ontvangen rente-inkomsten ad f. 941,-- tot het inkomen gerekend en de opgevoerde kosten van de werkkamer niet geaccepteerd, zodat het belastbaar inkomen is vastgesteld op

ƒ 69.157,--.

In het kader van de bezwaarprocedure heeft de inspecteur de onderhavige correctie gehandhaafd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op aftrek van kosten in verband met een werkruimte ten behoeve van vermogensbeheer.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de kosten van zijn werkruimte aftrekbaar zijn als kosten van vermogensbeheer omdat hij naar zijn mening in redelijkheid heeft kunnen besluiten een werkruimte voor vermogensbeheer in te richten. Belanghebbende verwijst hiertoe onder meer naar het arrest van de Hoge Raad d.d. 22 maart 2000, nr. 35093.

De inspecteur is van mening dat de onderhavige correctie terecht is aangebracht.

Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

Ter zitting hebben partijen hun standpunten gehandhaafd zonder daartoe nadere gronden aan te voeren.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

Formeel

Op grond van artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (: AWR) juncto de artikelen 6:7 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (: Awb), kan hij, die beroep wenst aan te tekenen tegen een uitspraak op een door hem ingediend bezwaarschrift binnen zes weken na dagtekening daarvan een beroepschrift indienen.

De inspecteur stelt dat de uitspraak op het bezwaar bij dagtekening van 29 oktober 2001 is geschied. Het beroepschrift is op 20 december 2001 ter griffie van het hof ingekomen. Mitsdien is het niet binnen zes weken ingediend. Tussen partijen staat evenwel vast dat het exemplaar van de uitspraak welke aan belanghebbende is gezonden niet van een dagtekening was voorzien. Het ontbreken van een datering op de aan belanghebbende toegezonden uitspraak brengt het hof tot het oordeel dat niet kan worden gesteld dat belanghebbende in verzuim is geweest. De niet-ontvankelijkverklaring dient op grond van artikel 6:11 Awb dan ook achterwege te blijven.

Inhoudelijk.

In de lijn van het hiervoor vermelde arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2000 (BNB 2000/180) overweegt het hof dat bij de beoordeling van het geschil in de eerste plaats van belang is of en in hoeverre de in artikel 36, lid 1 letter b, en lid 2, letter f van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (: de Wet) neergelegde uitsluiting en beperking van aftrek van kosten van kantoorruimte in een woning hier van toepassing zijn. Bij de totstandkoming van artikel 36, lid 1 letter b, is uitsluitend aandacht besteed aan kosten van een werkkamer in de woning die drukken op arbeidsinkomsten of winst uit onderneming. De redactie en de inhoud van deze bepaling zijn volledig op die situatie afgestemd. Onder deze omstandigheden moet worden aangenomen dat de daarin gegeven bijzondere regel geen betekenis heeft voor kosten van een werkkamer die drukken op vermogensinkomsten en dat de aftrekbaarheid van die kosten wordt beheerst door de algemene regel van artikel 35 van de Wet. Daarentegen is de in artikel 36, lid 2, letter f, neergelegde forfaitering van kosten van een kantoorruimte in een woning algemeen geformuleerd, en is er geen reden die forfaitering buiten toepassing te laten voorzover het gaat om kosten die drukken op vermogensinkomsten. Uit de algemene regel van artikel 35 vloeit voort dat indien een belastingplichtige in redelijkheid heeft kunnen besluiten een werkkamer in zijn woning uitsluitend of nagenoeg uitsluitend te gebruiken voor vermogensbeheer, zodat deze aan het persoonlijke leven van die belastingplichtige en zijn gezin is onttrokken, de aan het gebruik van die kamer verbonden kosten als kosten van vermogensbeheer tot de aftrekbare kosten behoren. Die kosten worden dan forfaitair gesteld op het in artikel 36, lid 2, letter f, omschreven bedrag. Indien de werkkamer niet geheel of nagenoeg geheel voor vermogensbeheer wordt gebruikt, is voor het in aanmerking nemen van een aan de omvang van het gebruik evenredig van het forfaitaire kostenbedrag geen plaats. Dit is in overeenstemming met de omstandigheid dat ook in gevallen waarin artikel 36, lid 2, letter f, met betrekking tot arbeidsinkomsten toepassing kan vinden, de aftrek wordt bepaald op een van de omvang van het gebruik onafhankelijk bedrag.

Gelet op de hiervoor weergegeven feiten omtrent de aard en de omvang van het door belanghebbende beheerde vermogen, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat belanghebbende niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten een werkkamer in zijn woning uitsluitend of nagenoeg uitsluitend te gebruiken voor vermogensbeheer. Het tegendeel is door belanghebbende niet aannemelijk gemaakt.

5. De conclusie.

Het vorenstaande brengt mee dat het hof het beroep van belanghebbende ongegrond dient te verklaren.

6. De proceskosten.

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 21 februari door mr Drion, raadsheer, voorzitter, mr Huiskes en mr Fransen, raadsheren, in tegenwoordigheid van de griffier mevrouw mr De Jong en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

de griffier de voorzitter

mr H. de Jong mr F.J.W. Drion

Afschrift aangetekend aan beide partijen verzonden

op: 26 februari 2003

De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.