Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF5058

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-02-2003
Datum publicatie
26-02-2003
Zaaknummer
BK 989/02 Inkomstenbelasting
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2004:AR5980
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-0442
V-N 2003/29.2.1
V-N 2003/16.3.1

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 989-02 21 februari 2003

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z

(: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de Belastingdienst Particulieren Groningen (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen over het jaar 1999.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Belanghebbende werd voor het jaar 1999 in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen, als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold (: de wet) van

ƒ 136.435,--.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 6 maart 2002, afwijzend beslist. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift, hetwelk op 15 april 2002 is ingekomen. De inspecteur heeft vervolgens op 27 juni 2002 een verweerschrift (met bijlagen) ingezonden. Van de zijde van de inspecteur is voorts op 21 oktober 2002 een brief (met bijlagen) binnengekomen. Voorts is op 20 november 2002 een faxbericht ingekomen van de gemachtigde van belanghebbende. De mondelinge behandeling van deze zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van 29 november 2002, gehouden te Leeuwarden, tezamen met de zaak met het kenmerk BK 990/02. (Deze zaak heeft betrekking op de aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen 1999 van zijn echtgenote.) Hierbij waren aanwezig belanghebbende en zijn gemachtigde mr A, alsmede de inspecteur en drie medewerkers van zijn inspectie. De gemachtigde heeft ter zitting een door hem voorgedragen pleitnota overgelegd. Het hof heeft in deze zaak op 13 december 2002 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, op 24 december 2002, aan partijen is verzonden.

Bij een op 30 december 2002 ter griffie ingekomen brief heeft de gemachtigde van belanghebbende verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het daartoe verschuldigde griffierecht is op 22 januari 2003 voldaan.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Op 9 mei 2000 werd van belanghebbende, die een uitkering krachtens de bijstandswet genoot en die stelt in kerkgenootschappelijk verband een onderneming te drijven, de aangifte inkomstenbelasting 1999 ter inspectie van de Belastingdienst/Ondernemingen Groningen ontvangen. De aangifte vermeldde een belastbaar inkomen van ƒ 771,-.

2.2 Aangezien deze eenheid niet competent was de aangifte te behandelen, werd deze doorgezonden naar de wèl competente eenheid Belastingdienst/Particulieren Groningen.

2.3 Door tussenkomst van B accountants en belastingadviseurs te L werd vervolgens op 22 mei 2001 een verbeterde aangifte ingediend bij de competente eenheid Belastingdienst/Particulieren Groningen. Deze verbeterde aangifte vermeldde een belastbaar inkomen van negatief ƒ 12.993,-.

2.4 Naar aanleiding van de aankoop door belanghebbende van het pand a-straat 1 te Z voor een bedrag van ƒ 332.500,- is door de inspecteur naar de fiscale positie van belanghebbende die opgaf enkel bijstand te genieten, een onderzoek ingesteld.

2.5 Bij dat onderzoek heeft de inspecteur via de C-bank te Z ontdekt dat belanghebbende van die bank in totaal

ƒ 449.000,- onder hypothecair verband leende voor de aankoop van voormeld pand. Van deze aankoop werd geen melding gemaakt bij de sociale dienst.

2.6 Tevens kreeg de inspecteur via die C-Bank te Z de beschikking over bescheiden zoals loonafrekeningen, arbeidsovereenkomsten, werkgeversverklaringen, alsmede overzichten van mutaties op de bankrekeningen van belanghebbende en zijn echtgenote mevrouw D. Volgens deze bescheiden zou belanghebbende maandelijks een netto loon van ƒ 6.000,- hebben ontvangen. Dit loon komt op de bankrekening terecht via contante stortingen.

2.7 Voorts bleek uit die door de bank overgelegde bescheiden dat belanghebbende als manager/coördinator in dienst was van Stichting E, a-straat 77 te M, en dat hij maandelijks netto per kas ƒ 6.000,- uitbetaald loon genoot. Vanaf juli 1999 worden de looninkomsten genoten via rekening 00.00.00.000 van de C-bank, betaald door de Stichting F.

2.8 Aangezien de door B ingezonden verbeterde aangifte van 29 mei 2001 niet in overeenstemming was met de ter inspectie bekende gegevens zoals hiervoor sub 2.4 tot en met 2.7 weergegeven, werd telefonisch contact met de heer G van dat accountantskantoor opgenomen, die toezegde nadere informatie bij belanghebbende te zullen opvragen. Door de inspecteur is met name verzocht om toezending van bewijsstukken inzake de in de verlies- en winstrekening opgenomen posten ter raadpleging. Die nadere informatie is door dat kantoor bij belanghebbende opgevraagd.

2.9 Die informatie is door belanghebbende nimmer verstrekt.

2.10 Na enige briefwisseling met B is het verder stil gebleven rond deze kwestie, zij het dat belanghebbende en aan hem gelieerde personen zich met regelmaat schriftelijk beklaagden bij de inspecteur over de wijze waarop belastingambtenaren hun werkzaamheden uitvoerden. De gevraagde informatie werd echter ook toen niet verstrekt. Het betrof dan met name informatie van belanghebbende (die stelde in kerkgenootschappelijk verband een onderneming te drijven) door overlegging van boeken en bescheiden van het kerkgenootschap teneinde de herkomst van belanghebbendes inkomsten na te gaan. Ook die overlegging heft niet plaatsgevonden.

2.11 Op basis van de hem uit onderzoek ter beschikking staande gegevens heeft de inspecteur zich bij het regelen van de onderhavige aanslag op het standpunt gesteld dat geen sprake was van het drijven van een onderneming, hetgeen tot een correctie van het aangegeven inkomen met ƒ 36.997,- leidde, en dat het aangegeven belastbaar inkomen tevens diende te worden verhoogd met de bij de H getraceerde inkomsten van belanghebbende ad in totaal ƒ 98.960,-. Het belastbaar inkomen werd aldus vastgesteld op ƒ 136.435,-. Met betrekking tot de gecorrigeerde inkomsten ad ƒ 98.960,- heeft de inspecteur op grond van paragraaf 26 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst een vergrijpboete van 50 procent opgelegd.

2.12 Tegen die aanslag is namens belanghebbende door accountant I te N een bezwaarschrift ingediend, waarin ondermeer wordt gesteld dat de aangifte op tijd zou zijn ingediend, en dat belanghebbende dan ook niets begrijpt van de aanslag met verzuimboete.

2.13 Herhaalde malen is vervolgens door de inspecteur gevraagd om een nadere motivering van het bezwaar. Daarop is niet gereageerd met de inzending van een nadere motivering, overlegging van bewijsstukken of anderszins.

2.14 Het bezwaar is vervolgens niet-ontvankelijk verklaard.

2.15 Ter zitting heeft de raadsman van belanghebbende op vragen van het hof geantwoord dat in de onderhavige zaak allereerst de ontvankelijkheid van het bezwaar dient te worden beoordeeld.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht in zijn bezwaar niet ontvankelijk is verklaard.

3.2 Voor de motivering van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

3.3 Ter zitting hebben partijen hun standpunten gehandhaafd zonder daartoe nadere gronden aan te voeren.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1 Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de inhoud van het bezwaarschrift, dat een summiere en wellicht minder adequate motivering van het bezwaar bevat, niet worden gezegd dat het bezwaar ongemotiveerd was. Nu ook overigens aan de in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (:Awb) was voldaan, heeft de inspecteur ten onrechte het bepaalde in artikel 6:6 van de Awb toegepast en belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar.

4.2 Voldoende staat vast voor dit geding dat de inspecteur aan belanghebbende c.q. diens gemachtigde bij herhaling heeft verzocht om gegevens en inlichtingen te verstrekken en boeken en bescheiden beschikbaar te stellen die licht zouden kunnen werpen op hetgeen belanghebbende als bezwaar tegen de hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting aanvoerde.

4.3 Voor het opvragen van die gegevens en inlichtingen had de inspecteur een gegronde reden: de resultaten van het bij de C-Bank te Z uitgevoerde onderzoek (sub 2.4 tot en met 2.7 hiervoor) waren zodanig in strijd met hetgeen belanghebbende in zijn (verbeterde) aangifte als inkomsten verantwoordde dat het vragen om opheldering voor de hand lag.

4.4 Aan het verschaffen van die opheldering heeft belanghebbende geen medewerking verleend: op herhaalde verzoeken om inlichtingen zijdens de inspecteur is geen enkele adequate reactie gekomen.

4.5 In die omstandigheden vindt ex artikel 25, zesde lid, AWR, omkering van de bewijslast plaats: nu belanghebbende niet heeft voldaan aan de op hem krachtens de artikelen 47 en 49 AWR rustende verplichtingen, wordt de aanslag gehandhaafd tenzij gebleken is dat en in hoeverre die aanslag onjuist is.

4.6 Gebleken is zulks in casu allerminst: de van de C-Bank te Z verkregen inlichtingen omtrent de arbeidsinkomsten van belanghebbende over het onderhavige jaar wettigen het ten processe niet ontzenuwde vermoeden dat het belastbaar inkomen van belanghebbende een veelvoud heeft bedragen van het saldo dat hij in zijn aangifte heeft verantwoord. Het bewijs van het tegendeel rust op belanghebbende. Dat (begin van) bewijs is niet geleverd.

4.7 Nu de inspecteur, door uit te gaan van de hem uit onderzoek bekend geworden gegevens omtrent de arbeidsinkomsten van belanghebbende, aldus handelend het belastbaar inkomen zorgvuldig en onderbouwd heeft vastgesteld, had de inspecteur belanghebbendes bezwaar ongegrond moeten verklaren.

4.8 In de beroepsfase heeft belanghebbende het vorenbedoelde bewijs evenmin geleverd.

4.9 Onder de omstandigheden van het onderhavige geval, zoals onder de feiten beschreven, moet worden geoordeeld dat belanghebbende opzettelijk de litigieuze aangifte inkomstenbelasting 1999 onjuist c.q. onvolledig heeft gedaan. Voor dat geval bepaalt paragraaf 26 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998, eerste lid, dat de inspecteur gelijktijdig met de aanslag een vergrijpboete oplegt, die in geval van opzet, zoals hier, wordt gesteld op 50 procent van de belasting die betrekking heeft op de opzettelijk verzwegen inkomsten. Aldus is geschied. Het besluit tot het opleggen van de vergrijpboete van 50 procent is daarom door de inspecteur terecht en op goede gronden genomen.

4.10 Ook overigens komt die boete het hof passend en geboden voor.

5. De conclusie.

Het beroep is in zoverre gegrond dat belanghebbende alsnog ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn bezwaar. Voor het overige is het beroep ongegrond en dienen de aanslag en de boete, zoals door de inspecteur vastgesteld, te worden gehandhaafd.

6. De proceskosten.

Nu de uitspraak van de inspecteur slechts op formele gronden wordt vernietigd en de aanslag in al haar elementen, alsmede de boete, geheel gehandhaafd blijven, acht het hof geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

7. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de inspecteur, verklaart belanghebbende alsnog ontvankelijk in zijn bezwaar, handhaaft de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 136.435,- (€ 61.911,50,-) handhaaft de vergrijpboete op een bedrag van ƒ 29.775,- (€ 13.511,31), en verstaat dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht zal vergoeden.

Gedaan op 21 februari door mr Pruiksma, vice-president, voorzitter, mr Drion en mr Fransen, raadsheren, in tegenwoordigheid van de griffier mevrouw mr De Jong en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

De griffier De voorzitter

mr H. de Jong mr H.S. Pruiksma

Afschrift aangetekend aan beide partijen verzonden

op: 26 februari 2003

De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.