Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF5054

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-02-2003
Datum publicatie
26-02-2003
Zaaknummer
BK 671/01 Omzetbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nummer: 671/01 10 februari 2003

Uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van Fiscale eenheid X c.s. te Z (: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Groningen (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 oktober 1997 tot en met 31 augustus 2000.

1. Het ontstaan en de loop van het geding.

1.1. De inspecteur heeft op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968, zoals deze wet in het onderhavige tijdvak gold (: de wet), aan belanghebbende de onderhavige naheffingaanslag omzetbelasting opgelegd, ten bedrage van f 20.029,- aan omzetbelasting en f 2.002,- aan boete.

1.2. Nadat door belanghebbende bij de inspecteur tijdig tegen deze aanslag bezwaar was gemaakt, heeft laatstgenoemde bij de bestreden uitspraak van 27 augustus 2001 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen) dat ter griffie van het hof is ingekomen op 20 september 2001.

1.4. Op 10 december 2001 is het verweerschrift (met bijlagen) van de inspecteur ingekomen.

1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het hof op 18 november 2002 te Leeuwarden. Op die zitting zijn verschenen de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door A, hoofd administratie van belanghebbende, alsmede de inspecteur, bijgestaan door dhr B.

1.6.Van alle genoemde en nog te noemen stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Tussen partijen staat het volgende als niet, althans onvoldoende, weersproken vast:

2.1. X is een bejaardenoord als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter f, van de wet juncto artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968, Bijlage B, letter b, nummer 23.

2.2. Artikel 3 van de statuten van X bepaalt het volgende:

"De stichting heeft ten doel het zonder winstoogmerk tegen vergoeding bieden van:

a. huisvesting, verzorging en huiselijke verpleging aan daartoe toegelaten bewoners in het verzorgingstehuis of een verpleegunit.

b. huisvesting aan ouderen in daartoe door de stichting te huren zelfstandige bejaardenwoningen.

c. bij of krachtens de wet toegelaten diensten aan ouderen."

2.3. Het verzorgingstehuis is gevestigd in het gebouw aan de a-straat 1 te Z, waar ook X kantoor houdt. Het gebouw is in eigendom bij C. X voert beheer, houdt toezicht en doet onderhoud in het gebouw en verzorgt de administratie van C. Verder verricht haar personeel schoonmaakwerkzaamheden in het gebouw.

2.4. De hiervoor omschreven werkzaamheden worden door X door middel van facturen in rekening gebracht aan C. Op een aantal van die facturen is vermeld "Totaal inclusief BTW".

2.5. In de tweede helft van het jaar 2001 is C gefuseerd met D. X maakt onder meer in het onderhavige tijdvak met D onderdeel uit van de fiscale eenheid X c.s.

2.6. Naar aanleiding van een door de belastingdienst ingesteld boekenonderzoek is de inspecteur gebleken dat er met betrekking tot de ten behoeve van C verrichte schoonmaakwerkzaamheden door personeel van X en het verrichten door X van administratieve diensten en beheer, toezicht en onderhoud geen omzetbelasting was afgedragen. Hij heeft vervolgens de betreffende omzetbelasting bij de onderhavige aanslag nageheven. Tevens heeft hij een boete opgelegd van 10% van de nageheven omzetbelasting.

Na bezwaar heeft de inspecteur de aanslag onverkort gehandhaafd.

Partijen hebben met elkaar afgesproken dat het bedrag aan omzetbelasting dat op 1996 betrekking heeft, om proceseconomische reden - bij de beoordeling in het kader van de onderhavige procedure - in de onderhavige aanslag betrokken dient te blijven.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vragen of terecht omzetbelasting is nageheven door de inspecteur ter zake van de voor C verrichte diensten en of er terecht een boete is opgelegd, welke vragen belanghebbende ontkennend en de inspecteur bevestigend beantwoordt.

3.2. Belanghebbende neemt - kort gezegd - het standpunt in dat genoemde diensten zijn vrijgesteld van de heffing van omzetbelasting op grond van artikel 11, eerste lid, letter f. dan wel v. van de wet. Zij is verder van mening dat artikel 37 van de wet er in casu niet toe leidt dat omzetbelasting verschuldigd wordt. Tenslotte is naar de mening van belanghebbende de boete ten onrechte opgelegd.

De inspecteur stelt - kort weergegeven - dat geen sprake is van een vrijstelling, dat omzetbelasting verschuldigd wordt op grond van artikel 37 van de wet en dat de boete terecht en tot een juist bedrag is opgelegd.

3.3. Voor een uitgebreidere weergave van de wederzijdse standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken, waaraan ter zitting geen nieuwe gronden zijn toegevoegd.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1. Op grond van de vaststaande feiten onder 2.1 tot en met 2.5 is het hof van oordeel dat door X, die deel uitmaakt van de onderhavige fiscale eenheid, voor C, in het onderhavige tijdvak een derde, diensten in de zin van de wet zijn verricht - te weten schoonmaakwerkzaamheden, het verzorgen van de administratie en toezicht houden, beheren en onderhouden van het gebouw - die niet kunnen worden aangemerkt als diensten die als zodanig worden verricht door een bejaardenoord als bedoeld in artikel 11, eerste lid, letter f, juncto artikel 7 Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 en bijlage B post b 23. Immers, gelet op de aard van de werkzaamheden kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd dat ze voortvloeien uit de in artikel 3 van de statuten vermelde doelstelling van X. Dat deze werkzaamheden uitsluitend dienstbaar zijn aan die doelstelling acht het hof niet aannemelijk. Het betreffen naar het oordeel van het hof werkzaamheden die zelfstandig en los van de als verzorgingstehuis verrichte activiteiten worden verricht. Derhalve is ook geen sprake van bijkomstige activiteiten als bedoeld onder letter v. van artikel 11, lid 1 van de wet. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat gelet op de omvang en het structurele karakter van onderhavige werkzaamheden, niet gesproken kan worden van nevenactiviteiten van relatief bescheiden omvang. Daarnaast acht het hof niet aannemelijk dat het gaat om activiteiten ter verkrijging van financiƫle steun voor het onderhavige verzorgingshuis als bedoeld in laatstgenoemde bepaling. De enkele omstandigheid dat de stichting een deel van haar vaste kosten afwentelt op C is daarvoor onvoldoende. Mitsdien is de in artikel 11, eerste lid, onder v. van de wet opgenomen vrijstelling evenmin van toepassing.

De inspecteur heeft ter zake van onderhavige diensten derhalve terecht omzetbelasting nageheven.

4.2. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang bezien met het vaststaande feit onder 2.4, is het hof van oordeel dat belanghebbende had behoren te weten dat over de onderhavige werkzaamheden omzetbelasting moet worden voldaan. Van een pleitbaar standpunt is geen sprake. Het is derhalve aan grove schuld van belanghebbende te wijten dat te weinig omzetbelasting is afgedragen. Gelet op de aard en ernst van het feit en de omvang van de niet afgedragen belasting, acht het hof de hoogte van de door de inspecteur opgelegde boete passend en geboden.

4.3. Het gelijk ligt derhalve aan de kant van de inspecteur.

5. De proceskosten.

Er is geen aanleiding te komen tot een veroordeling tot betaling van een vergoeding van gemaakte proceskosten.

6. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep van belanghebbende ongegrond.

Gedaan op 10 februari 2003 door mr F.J.W. Drion, raadsheer als voorzitter, mrs J. Huiskes en H.H.A. Fransen, beiden raadsheer, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mw mr M. Hiemstra en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 26 februari 2003 afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen.