Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF4800

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-02-2003
Datum publicatie
20-02-2003
Zaaknummer
BK 959/01 Inkomstenbelasting
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2005:AT3967
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 486
FutD 2003-0391

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 959/01 14 februari 2003

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren/ondernemingen buitenland van de belastingdienst te Heerlen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De belanghebbende werd voor het jaar 1999 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold, van ƒ 197.981,-.

1.2. Op het tijdig ingediende bezwaar van de belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 18 oktober 2001 de aanslag gehandhaafd.

1.3. De belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een pro forma beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 22 november 2001 is ingekomen bij het hof. Bij brief (met bijlagen), ingekomen op 27 december 2001, heeft de belanghebbende dit beroepschrift aangevuld met de gronden van het beroep.

1.4. De inspecteur heeft op 28 februari 2002 een verweerschrift ingediend bij het hof.

1.5. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof op 29 oktober 2002, gehouden te Leeuwarden. Aldaar zijn verschenen mr. A namens de belanghebbende, bijgestaan door B en drs. C, alsmede de inspecteur

1.6. Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde van de belanghebbende de door hem ter zitting voorgedragen pleitnota (met bijlage) overgelegd. Een afschrift hiervan was door de gemachtigde van de belanghebbende reeds voor aanvang van de zitting aan de inspecteur gezonden.

1.7. Het hof heeft in deze zaak op 12 november 2002 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 25 november 2002, aan partijen is verzonden.

1.8. Bij schrijven ingekomen op 4 december 2002 heeft de gemachtigde van de belanghebbende op de wijze als bedoeld in artikel 27d van de Algemene wet rijksbelastingen verzocht vorenbedoelde uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het daarvoor verschuldigde griffierecht heeft de belanghebbende op 9 december 2002 voldaan.

1.9. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Voor dit geding kan, als enerzijds gesteld en anderzijds niet dan wel onvoldoende weersproken, worden uitgegaan van de volgende feiten:

2.1. De belanghebbende, geboren in 1971, staat sinds 9 januari 1999 als beroepsvoetballer in dienstbetrekking tot D, die hem uit Zweden heeft aangeworven.

In zijn aangifte IB/PH 1999 gaf hij als genoten loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 (de Wet) aan ƒ 121.977,- +

ƒ 1.830,- (overhevelingstoeslag).

2.2. De inspecteur heeft het aangegeven belastbare inkomen verhoogd met 35 % van 100/65 x ƒ 121.977 = ƒ 65.680,-.

Het laatstgenoemde bedrag is een belastingvrije vergoeding die belanghebbendes werkgeefster hem - overeenkomstig het Besluit van 29 mei 1995, nr. DB95/119M, van de staatssecretaris van financiën (B.N.B. 1995/243: het Besluit) - in 1999 afzonderlijk heeft toegekend en verstrekt.

Haar verzoek om als inhoudingsplichtige voor de loonbelasting de in het Besluit opgenomen regeling te mogen toepassen was op 31 maart 1999 door de inspecteur afgewezen.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1. Het aldus gerezen geschil is verplaatst naar de heffing van inkomstenbelasting en betreft de vraag of de belanghebbende een buitenlandse werknemer is die in dienst is genomen omdat hij beschikt over specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is, zodat hij slechts in het buitenland kon worden aangetrokken.

3.2. De belanghebbende en zijn werkgeefster beantwoorden de vraag bevestigend en achten het Besluit van toepassing; als deze opvatting juist is moet de bijtelling van ƒ 65.680,- vervallen.

3.3. De inspecteur is een tegengestelde mening toegedaan en staat handhaving van de bestreden aanslag voor.

3.4. Voor een uitgebreide weergave van de standpunten van partijen en de gronden waarop deze berusten verwijst het hof naar de van partijen afkomstige stukken alsmede het proces-verbaal van de zitting.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1. Vastgesteld moet worden of het aannemelijk is dat de belanghebbende door zijn werkgeefster in dienst is genomen omdat hij beschikt over specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is, zodat hij slechts in het buitenland kon worden aangetrokken.

4.2. Bij de beoordeling van die deskundigheid - aldus het Besluit - spelen de navolgende factoren (zij het niet per se alle) in hun onderlinge samenhang bezien een rol:

- hoog gekwalificeerde dan wel gespecialiseerde opleiding;

- de benodigde ervaring en/of deskundigheid dan wel opleiding buiten Nederland opgedaan en in Nederland niet of schaars aanwezig;

- specifiek gekwalificeerde functie van de buitenlandse werknemer;

- het netto aan de desbetreffende functie verbonden salaris-niveau in het land van herkomst voor een min of meer vergelijkbare functie is hoger dan, c.q. vergelijkbaar met het salarisniveau in Nederland.

4.3. Het gaat kennelijk om werknemers die over kennis, ervaring, kunde dan wel andere kwaliteiten beschikken die weinigen of niemand in Nederland hebben, zoals kan blijken uit het honorarium dat zij internationaal waard zijn.

Uit de beschouwingen die namens de belanghebbende worden gehouden over de noden en behoeften van D vóór zijn komst valt niet op te maken dat hij zo'n werknemer is; het gaat immers niet om wie de club in dienst zou willen nemen maar om wie in dienst genomen is.

4.4. Wat de belanghebbende voor D uniek maakt is volgens zijn gemachtigde:

- hij is een beroepsvoetballer

- met langdurige nationale en internationale ervaring

- die als linksbenige verdediger bij uitstek geschikt is voor een plaats op de linkervleugel.

Daarmee is echter niet weerlegd de stelling van de inspecteur dat in Nederland geen schaarste bestaat aan beroepsvoetballers die dezelfde werkzaamheden op hetzelfde niveau kunnen verrichten als de belanghebbende.

4.5. Onder de gegeven omstandigheden beschouwt het hof de hoogte van het - door vraag en aanbod bepaalde - honorarium dat belanghebbendes werkgeefster voor hem over heeft als een bruikbaar criterium om te beoordelen of het aannemelijk is dat hij beschikt over een specifieke deskundigheid als in het Besluit bedoeld en onder 4.2 weergegeven.

4.6. Dat belanghebbendes netto-salaris als linksback in Zweden hoger, althans bepaald niet lager was dan voor een min of meer vergelijkbare linksback in Nederland zou worden uitgegeven, is gesteld noch gebleken.

Wel staat onbetwist vast dat belanghebbendes bruto-loon in geld in 1999 (ƒ 282.038,90) aanzienlijk lager was dan het gemiddelde inkomen van beroepsvoetballers van 20 jaar en ouder in de A-selectie van de hoogste divisie in het seizoen 1998/1999 (ƒ 570.000,-).

4.7. Uit het aldus verkregen beeld van belanghebbendes salarisniveau maakt het hof op dat hij voor D ongetwijfeld een waardevolle werknemer was, maar niet dat hij voorzag in een kostbare schaarste als in het Besluit bedoeld.

Hetgeen over belanghebbendes kwaliteiten als beroepsvoetballer naar voren is gebracht werpt daarop geen ander licht.

4.8. Het gelijk is derhalve aan de inspecteur.

5. De proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan door mr. H.S. Pruiksma, vice-president als voorzitter, mr. F.J.W. Drion, raadsheer, en mr. J.A. Wolt, raadsheer-plaatsvervanger, en op 14 februari 2003 in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mevr. mr. M. Hiemstra en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 19 februari 2003 afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen.