Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF4795

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-02-2003
Datum publicatie
20-02-2003
Zaaknummer
BK 1078/01 Leges
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2003/642

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK1078/01 14 februari 2003

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z

(: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de afdeling Burgerzaken & Belastingen van de gemeente Meppel (: het hoofd) gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem toegezonden kennisgeving ingevolge de Verordening op de heffing en de invordering van de leges 2000, zoals deze verordening in het onderhavige jaar gold (: de Verordening).

1. Ontstaan en loop van het geding

Ingevolge de Verordening heeft het hoofd het door belanghebbende verschuldigde bedrag aan leges ter zake van de door hem ingediende bouwaanvraag, na een tijdig ingediend bezwaar, vastgesteld op

ƒ 4.400,--. Bij de uitspraak waarvan beroep, gedagtekend 23 november 2001, heeft er geen verdere verlaging plaatsgevonden. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 13 december 2001 is ingekomen. De inspecteur heeft vervolgens op 11 februari 2002 een verweerschrift (met bijlagen) ingezonden. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van de tweede meervoudige belastingkamer gehouden te Leeuwarden op 29 november 2002, alwaar aanwezig waren belanghebbende en namens het hoofd, mevrouw A en de heer B.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

Belanghebbende heeft met dagtekening 26 april 2000 een aanvraagformulier bouwvergunning ingediend voor het plaatsen van windmolens. Bij brief van 23 mei 2000 heeft een medewerker van de afdeling VROM, bouw en woningtoezicht van de gemeente Meppel aangegeven dat de ingediende aanvraag niet volledig was. In deze brief staat voorts dat leges verschuldigd zijn voor het indienen van de aanvraag om een bouwvergunning. Belanghebbende heeft daarop bij brief van 31 mei 2000, gericht aan voornoemde medewerker, de vraag opgeworpen of het hem wordt toegestaan windmolens te plaatsen langs de spoorbaan te Z. In deze brief stelt belanghebbende voorts "Dit alles om geen onnodige kosten te maken". Hierop heeft een medewerker van voormelde afdeling in een telefonisch onderhoud met de echtgenote van belanghebbende op 12 en 17 juli 2000 aangegeven dat het plaatsten van windmolens in strijd is met het vigerende bestemmingsplan. In deze gesprekken heeft de medewerker tevens geadviseerd de aanvraag bouwvergunning in te trekken, teneinde de verschuldigdheid van leges te voorkomen. Op 27 juli 2000 hebben Burgemeester en wethouders van de gemeente Meppel besloten de aangevraagde bouwvergunning te weigeren, omdat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Bij dit besluit zijn de door belanghebbende verschuldigde leges gesteld op ƒ 8.800,--.

Belanghebbende heeft tegen het besluit en tegen het legesbedrag bezwaar gemaakt. Na een hoorzitting van de commissie bezwaar en beroep is de legesaanslag, uit coulance overwegingen, gehalveerd en gesteld op ƒ 4.400,--. Belanghebbende heeft tegen deze aanslag wederom bezwaar gemaakt. Bij uitspraak van 23 november 2001 heeft het hoofd laatsgenoemd bedrag gehandhaafd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

In geschil is het antwoord op de vraag of aan belanghebbende terecht een aanslag bouwleges is opgelegd.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij slechts informeel heeft gevraagd of het hoofd bereid zou zijn een bouwvergunning af te geven.

Het hoofd stelt dat belanghebbende daadwerkelijk een bouwaanvraag heeft ingediend op grond waarvan de bouwleges verschuldigd zijn.

Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

Ter zitting hebben partijen hun standpunten gehandhaafd zonder daartoe nadere gronden aan te voeren.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

Ingevolge de artikelen 2 en 3 van de Verordening zijn leges verschuldigd, voorzover thans van belang, door de aanvrager van een door het gemeentebestuur te verstrekken dienst. Artikel 5 van de verordening bepaalt dat de leges worden geheven naar de tarieven zoals opgenomen in de bij de Verordening behorende tarieventabel. In artikel C 2.2 van deze tarieventabel is het tarief bepaald terzake van het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning.

Vaststaat dat belanghebbende met dagtekening 26 april 2000 een aanvraagformulier bouwvergunning bij het hoofd heeft ingediend.

Mitsdien is sprake van een situatie als omschreven in voormelde artikelen 2 en 3 van de Verordening, juncto artikel C 2.2 van de tarieventabel.

De stelling van belanghebbende dat hij nimmer de intentie heeft gehad een bouwvergunning aan te vragen, is gelet op de feitelijke gang van zaken onbegrijpelijk. Te meer daar belanghebbende in het door hem gemaakte bezwaar, d.d. 31 augustus 2000, tegen het weigeringsbesluit van 27 juli 2000 van Burgemeester en Wethouders, stelt "Wij zullen binnenkort overgaan tot het plaatsen van windmolens". Een dergelijk -uitgesproken- voornemen strookt niet met de thans door belanghebbende ingenomen stelling dat slechts sprake is geweest van een informeel verzoek om informatie. Bovendien is niet in geschil dat zijn echtgenote in een telefonisch onderhoud met een medewerker van de afdeling bouw en woningtoezicht van de gemeente Meppel, nadrukkelijk is gewezen op de verschuldigdheid van de leges indien de bouwaanvraag zou worden gehandhaafd. Belanghebbende heeft de aanvraag desondanks niet ingetrokken. Naar het oordeel van het hof staat, op grond van het vorenstaande, de verschuldigdheid van de leges, vast.

Het bedrag van de leges is voorts niet in geschil, zodat het hoofd deze rechten terecht, en naar een juist bedrag heeft opgelegd.

5. De conclusie.

Het gelijk is derhalve aan de zijde van het hoofd.

6. De proceskosten.

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 14 februari 2003 door mr Pruiksma, vice-president, voorzitter, mrs Drion en Fransen, raadsheren, in tegenwoordigheid van de griffier mevrouw mr De Jong en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Afschrift aangetekend aan beide partijen verzonden

op: 19 februari 2003