Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF4793

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-02-2003
Datum publicatie
20-02-2003
Zaaknummer
BK 1175/02 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-0392
V-N 2003/28.1.15
V-N 2003/12.3.5

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 1175/02 14 februari 2003

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z

(: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen Amsterdam (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen over het jaar 1998.

1. Ontstaan en loop van het geding

Belanghebbende werd voor het jaar 1998 in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen, als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold (: de Wet) van ƒ 84.172,--.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 4 april 2002 afwijzend beslist. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 3 mei 2002 is ingekomen. De inspecteur heeft vervolgens op 20 juni 2002 een verweerschrift (met bijlagen) ingezonden. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van de tweede meervoudige belastingkamer gehouden te Leeuwarden op 29 november 2002, alwaar aanwezig waren belanghebbende en zijn echtgenote, alsmede de inspecteur. Ter zitting hebben belanghebbende en de inspecteur een door hen voorgelezen pleitnota overgelegd.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

Belanghebbende heeft op 23 februari 1998 een woning gekocht. In de akte van levering wordt de woning omschreven als "de voormalige pastorie" met ondergrond, erf en tuin, staande en gelegen te 0000 YY L (gemeente M), a-weg 184, kadastraal bekend gemeente M, sectie Y, nummer 0000, groot zesentwintig are veertig centiare.

In artikel 5 van de akte van levering is onder punt h vermeld, dat de verkoper garandeert dat aan hem op dat tijdstip betreffende het verkochte geen (lopende adviesaanvraag voor) aanwijzing, danwel aanwijzingsbesluit, danwel registerinschrijving bekend was:

- als beschermd monument in de zin van artikel 3,4 of 6 van de Monumentenwet;

- tot beschermd stads- of dorpsgezicht of voorstel daartoe, als bedoeld in artikel 35 van de Monumentenwet;

- door de gemeente of provincie als beschermd stads- of dorpsgezicht.

De woning stond in 1998 niet ingeschreven in het register als bedoel in artikel 6 van de Monumentenwet.

Belanghebbende heeft in 1998 aan de woning onderhoudswerkzaamheden laten uitvoeren ten bedrage van totaal ƒ 122.292,--.

Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar aangifte gedaan van een belastbaar inkomen van ƒ 31.278,-- negatief. Bij de inkomsten uit eigen woning onder punt g, heeft belanghebbende aan onderhoudskosten een bedrag in aftrek gebracht van ƒ 115.450,--.

De inspecteur heeft het aangegeven inkomen gecorrigeerd en een aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 84.172,--.

In het kader van de bezwaarprocedure heeft de inspecteur de onderhavige correctie gehandhaafd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende ervan uit mocht gaan dat de door hem gekochte woning mocht worden aangemerkt als een monumentenwoning als bedoeld in artikel 42a, lid 7 van de Wet

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat sprake was van een monumentenwoning in de zin van voormeld artikel. Hij stelt hiertoe primair dat de inschrijving in het kadaster bepalend is voor de toepassing van dit artikel. Aan de voorwaarde van inschrijving in het Monumentenregister is naar zijn mening voldaan omdat in het Uittreksel uit de Objecten Data Bank, het adres van de onderhavige woning is opgenomen; a-weg 184 te L.

Subsidiair voert belanghebbende aan dat hij mocht vertrouwen op de gegevens zoals deze bij het kadaster stonden vermeld.

De inspecteur stelt dat belanghebbende uit artikel 5 van de akte van levering had kunnen afleiden dat de door hem gekochte woning niet stond ingeschreven in de openbare registers, als bedoeld in artikel 6 van de Monumentenwet.

Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

Ter zitting hebben partijen hun standpunten gehandhaafd zonder daartoe nadere gronden aan te voeren.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

Op grond van artikel 42a lid 1 van de Wet, zoals dit artikel in het onderhavige jaar gold, wordt bij het bepalen van de zuivere inkomsten met betrekking tot een eigen woning waarvan zowel de voordelen als de kosten en lasten bestanddelen vormen van het onzuivere inkomen van de belastingplichtige, de huurwaarde, indien de eigen woning de belastingplichtige of de personen die behoren tot zijn huishouding anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat, gesteld op 1,25% van de waarde van de woning in het economisch verkeer.

Uit het zevende lid van voormeld artikel volgt dat, in afwijking van

het eerste lid, bij een eigen woning die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 6 van de Monumentenwet 1988, de eerder bedoelde kosten, lasten en afschrijvingen, in aanmerking worden genomen voorzover die kosten, lasten en afschrijvingen te samen zowel ƒ 300,-- als 1,75% van de waarde van de woning in het economisch verkeer, doch ten hoogste ƒ 24.000,-- te boven gaan.

Vaststaat dat de woning van belanghebbende niet als monument staat ingeschreven in de openbare registers bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek zoals omschreven in artikel 6 van de Monumentenwet 1988, zoals deze wet voor het onderhavige jaar gold. Eveneens staat vast dat er op het moment van de levering geen adviesaanvraag voor inschrijving was ingediend. Mitsdien heeft de inspecteur het beroep van belanghebbende op de regeling in het zevende lid van artikel 42a van de Wet, terecht niet gehonoreerd.

Noch de omstandigheid dat de naast de woning gelegen kerk, waarvan het adres gelijk is aan dat van de woning, wèl in het vorenbedoelde register is opgenomen, en van welke omstandigheid in de loop van 1998 een aantekening plaatsvond in de openbare registers, noch het daaraan door belanghebbende -zoals door hem gesteld- ontleende vertrouwen, doen aan dit oordeel af. De bewoordingen van artikel 5 van de akte van levering zijn helder en duidelijk en laten geen ruimte voor een in rechte te beschermen vertrouwen.

De hoogte van het belastbaar inkomen is voorts niet in geschil, zodat het hof concludeert dat de inspecteur dit inkomen naar een juist bedrag heeft vastgesteld.

5. De conclusie.

Het gelijk is derhalve aan de zijde van de inspecteur.

6. De proceskosten.

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 14 februari 2003 door mr Pruiksma, vice-president, voorzitter, mrs Drion en Fransen, raadsheren, in tegenwoordigheid van de griffier mevrouw mr De Jong en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Afschrift aangetekend aan beide partijen verzonden

op: 19 februari 2003