Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF4456

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-02-2003
Datum publicatie
13-02-2003
Zaaknummer
Rekestnummers 0200446 en 0200447
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 7 februari 2003

Rekestnummers 0200446 en 0200447

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest

in de zaak onder rekestnummer 0200446, van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna ook te noemen: [appellante],

procureur mr O.A. van Oorschot,

en in de zaak onder rekestnummer 0200447, van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant

hierna ook te noemen: [appellant],

procureur mr O.A. van Oorschot.

Het geding in eerste instantie

In beide zaken

Bij afzonderlijke vonnissen van 19 december 2002 heeft de rechtbank te Leeuwarden afgewezen de respectieve verzoeken van [appellante] en [appellant] om de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van hen uit te spreken.

Het geding in hoger beroep

In beide zaken

Bij beroepschrift, ingekomen op 30 december 2002 - zonder tussenkomst van een procureur - ter griffie van het hof, hebben [appellante] en [appellant] tezamen hoger beroep ingesteld tegen de beide vonnissen van 19 december 2002.

Bij brief van 2 januari 2003 is aan [appellante] respectievelijk [appellant] overeenkomstig het bepaalde in artikel 362 in verbinding met artikel 281 Rv, gelegenheid gegeven tot herstel van het verzuim in die zin dat [appellante] en [appellant] in de gelegenheid zijn gesteld uiterlijk op 10 januari 2003 een verzoekschrift in hoger beroep in te dienen door tussenkomst van een procureur.

Bij afzonderlijke beroepschriften, beide door tussenkomst van een procureur ingekomen ter griffie op 10 januari 2003, hebben [appellante] en [appellant] verzocht de beide vonnissen van 19 december 2002 te vernietigen en opnieuw beslissende alsnog de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] en [appellant] uit te spreken.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de overige stukken.

Ter zitting van 30 januari 2003 is de zaak behandeld. De raadsman van [appellante] en [appellant] heeft de zaak toegelicht. [appellante] en [appellant] zijn gehoord.

De beoordeling

1. De rechtbank heeft op grond van artikel 288 lid 2 aanhef en onder b van de Faillissementswet (hierna Fw) afgewezen de verzoeken van [appellante] respectievelijk [appellant] om de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van hen uit te spreken. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat [appellante] en/of [appellant] niet te goeder trouw zijn geweest bij het ontstaan van de schuld(en) aan het Waarborgfonds Motorverkeer ten bedrage van thans Euro 230.000,- en de schuld aan de gemeente Leeuwarden ten bedrage van Euro 4.589,35 en dat zij in de afgelopen jaren niets hebben gedaan om de schuld aan het Waarborgfonds Motorverkeer te verkleinen.

2. [appellante] en [appellant] stellen zich op het standpunt dat de schuldsaneringsregeling op ieder van hen van toepassing dient te worden verklaard. Zij voeren hiertoe aan dat er geen sprake van is dat zij ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan het Waarborgfonds Motorverkeer en de schuld aan de gemeente Leeuwarden niet te goeder trouw zijn geweest. Verder wijzen zij er op dat zij hun leven willen beteren en in staat willen worden gesteld een nieuwe start te maken.

3. Het hof stelt in deze voorop dat ter beoordeling van de vraag of [appellante] en [appellant], die een affectieve relatie hebben en samenwonen, dienen te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling ten aanzien van ieder van hen individueel dient te worden onderzocht welke rechtens relevante feiten en omstandigheden op ieder van hen van toepassing zijn. Ten aanzien van de verzochte toepassing tot de schuldsaneringsregeling dienen [appellante] en [appellant] derhalve afzonderlijk van elkaar te worden beoordeeld.

* de schulden die niet te goeder trouw zijn ontstaan

de schuld aan het Waarborgfonds Motorverkeer

4. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken.

De schuld aan het Waarborgfonds Motorverkeer (hierna Waarborgfonds) bedraagt thans Euro 230.000,-. De schuld is ontstaan door een ongeval in 1996 waarbij aan (een) derde(n) schade is toegebracht met een onverzekerde personenauto waarvan [appellant] de eigenaar was maar waarvan het kenteken op naam van [appellante] was gesteld. De auto werd ten tijde van het ongeval bestuurd door een kennis van [appellante] en [appellant] die de auto ongevraagd had "geleend". Het Waarborgfonds heeft - naast de bestuurder van de auto als degene die het ongeval heeft veroorzaakt en daarvoor uit dien hoofde aansprakelijk is - ook [appellante], als degene op wiens naam het kenteken van de auto was gesteld, en [appellant], als de bezitter van de auto, aangesproken tot betaling van de door het Waarborgfonds aan de benadeelde(n) vergoede schade die door het ongeval is ontstaan.

5. [appellante] en [appellant] menen dat het niet (doen) verzekeren van de personenauto waardoor voor ieder van hen de schuld aan het Waarborgfonds is ontstaan, niet kan worden gekwalificeerd als "niet te goeder trouw" handelen, maar hoogstens als een onzorgvuldigheid. [appellante] en [appellant] wijzen er op dat [appellante] ongeveer drie maanden vóór het ongeval de aanschaf van de auto door [appellant] telefonisch heeft gemeld bij haar verzekeraar en heeft verzocht - op basis van de gegevens uit het paspoort van [appellante] die niet over een rijbewijs beschikte - voor de auto een verzekering af te sluiten. De verzekeraar deelde [appellante] - aldus [appellante] en [appellant] - daarop mee dat de verzekering in orde zou worden gemaakt. [appellante] en [appellant] gingen er dan ook van uit dat de auto verzekerd was. Eerst naar aanleiding van het ongeval waarbij de betreffende personenauto betrokken was, ontdekten [appellante] en [appellant] dat de auto onverzekerd was.

6. Gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (hierna: WAM) rustte op [appellante], als degene aan wie het kenteken voor het motorrijtuig was opgegeven, en op [appellant] in zijn hoedanigheid van bezitter van het motorrijtuig, de verplichting voor het motorrijtuig een verzekering als bedoeld in de WAM te sluiten en in stand te houden. Zowel [appellante] als [appellant] heeft echter verzuimd aan deze verplichting te voldoen.

7. De stelling van [appellante] en [appellant] dat zij er redelijkerwijze op mocht vertrouwen dat door [appellante] voor de auto een verzekering als bedoeld in de WAM was afgesloten, acht het hof onvoldoende onderbouwd. Er is immers een periode van ongeveer drie maanden gelegen tussen het moment waarop [appellante] de verzekering had aangevraagd en het moment waarop [appellante] en [appellant] er achter kwamen dat de auto niet verzekerd was. In deze periode heeft [appellante] geen polisbescheiden of groene kaart ontvangen en geen verzoek ontvangen tot voldoening van de verzekeringspremie. Evenmin hebben [appellante] en [appellant] contact opgenomen met de verzekeraar teneinde - in het licht van de volgens [appellante] aan haar verstrekte toezegging - nader te informeren naar de stand van zaken betreffende de door [appellante] verzochte verzekering.

8. Ingevolge het bepaalde in artikel 27 WAM heeft het Waarborgfonds ter zake van de door het Waarborgfonds aan de benadeelde(n) van een - met een onverzekerd motorvoertuig veroorzaakte - ongeval vergoede schade een (afzonderlijk) recht van verhaal tegen degene die zijn verplichting tot verzekering met betrekking tot het motorrijtuig, waarmede de schade is veroorzaakt niet is nagekomen. Uit dien hoofde heeft het Waarborgfonds Motorverkeer een recht van verhaal op zowel [appellante] als [appellant] ter zake van de schadevergoeding die het Waarborgfonds heeft betaald aan de benadeelde(n) van het ongeval met de onverzekerde personenauto.

9. Het hof is dan ook van oordeel dat zowel [appellante] als [appellant] ten aanzien van het ontstaan van voornoemde schuld aan het Waarborgfonds Motorverkeer niet te goeder trouw zijn geweest in de zin van artikel 288 lid 2 aanhef en onder b Fw.

de schuld aan de gemeente Leeuwarden

10. Uit de stukken waaronder de door [appellant] overgelegde lijst met schulden en de behandeling ter zitting is gebleken dat [appellant] een schuld heeft aan de gemeente Leeuwarden ten bedrage van Euro 4.589,35 bestaande uit een aan [appellant] in 2000 opgelegde bestuurlijke boete wegens bijstandfraude.

11. [appellant] stelt dat ten aanzien van de schuld aan de gemeente Leeuwarden niet gezegd kan worden dat deze niet te goeder trouw is ontstaan. Hij wijst er op dat hij enkel een bestuurlijke boete wegens bijstandsfraude opgelegd heeft gekregen en dat hij daarvoor niet strafrechtelijk is vervolgd. Tevens dient in het oog te worden gehouden dat het een laag fraudebedrag betreft.

12. Tijdens de behandeling ter zitting van het hof is naar voren gekomen dat [appellant] in 1995 gedurende enige tijd via een uitzendbureau heeft gewerkt terwijl hij ook zijn (volledige) uitkering is blijven ontvangen. Ten gevolge hiervan is aan [appellant] een (hogere) uitkering verstrekt terwijl hij daarop, gezien zijn inkomsten uit arbeid, geen aanspraak kon maken. Hierdoor is de schuld aan de gemeente Leeuwarden ontstaan.

13. Het hof is gezien het vorenstaande met betrekking tot de schuld aan de gemeente Leeuwarden van oordeel dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan van deze schuld niet te goeder trouw is geweest in de zin van artikel 288 lid 2 aanhef en onder b Fw.

* de facultatieve afwijzingsgrond

14. Indien een schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schuld(en) niet te goeder trouw is geweest, is daarmee niet zonder meer gezegd dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling achterwege dient te blijven. De in artikel 288, tweede lid, aanhef en onder b, Fw genoemde afwijzingsgrond betreft een facultatieve afwijzingsgrond. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het bij deze afwijzingsgrond gaat om een gedragsmaatstaf en dat bij de beoordeling alle omstandigheden van het geval dienen te worden betrokken, zoals de aard en de omvang van de schulden, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen en dergelijke.

15. Bedoelde afwijzingsgrond dient voorts te worden bezien in het licht van de doelstelling van de Wet schuldsanering natuurlijke personen welke erop neerkomt dat natuurlijke personen die in een uitzichtloze situatie zijn terechtgekomen, onder omstandigheden de kans moet worden geboden weer met een schone lei verder te kunnen.

16. Het hof is van oordeel dat het verwijt dat [appellante] en [appellant] te maken is terzake het ontstaan van de schuld aan het Waarborgfonds, een nalatigheid betreft die aan beiden, mede in aanmerking genomen de aard en de omvang van de ontstane schuld, in aanzienlijke mate moet worden aangerekend. In dit verband merkt het hof voorts op dat [appellante] en [appellant] geen betalingen aan het Waarborgfonds hebben verricht en evenmin getracht hebben - anders dan via de Gemeentelijke Kredietbank voorafgaand aan en samenhangende met het indienen van de respectieve inleidende verzoeken tot toepassing van de schuldsaneringsregeling - een minnelijke regeling te dien aanzien te treffen.

17. Weliswaar hebben [appellante] en Koopman aangegeven dat zij hun leven hebben gebeterd maar zij hebben geen althans onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd ter onderbouwing van de door hen gestelde althans voorgenomen keer ten goede in hun leven. Voor het aannemen van deze keer ten goede is niet zonder meer voldoende dat, zoals door de rechtbank als vaststaand is aangenomen, [appellant] in de laatste drie jaar niet meer gedetineerd is geweest, dat, zoals uit de schuldenlijst en ter zitting van het hof naar voren is gekomen, na 1999 geen nieuwe schulden zijn ontstaan en dat [appellant] vorig jaar gedurende een periode van 3 maanden heeft gewerkt bij een gevelreinigingsbedrijf. Ook de omstandigheid dat [appellant], die thans seizoenswerkeloos is en met ingang van februari 2003 de werkzaamheden bij dit bedrijf op basis van een contract van 8 maanden zal hervatten acht het hof zonder meer niet voldoende om in het vorenstaande verandering te brengen.

18. Gelet op de hiervoor vermelde in onderling verband en samenhang te beschouwen feiten en omstandigheden en in aanmerking nemende dat ook overigens niet is gebleken van feiten en omstandigheden die dienen mee te brengen dat [appellante] en [appellant] - ondanks het feit dat zij niet te goeder trouw zijn geweest bij het ontstaan van de schuld aan het Waarborgfonds - en voorts [appellant] - ondanks het feit dat hij niet te goeder trouw is geweest bij het ontstaan van de schuld aan het Waarborgfonds en de schuld aan de gemeente Leeuwarden - thans dienen te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, heeft de rechtbank terecht de verzoeken van [appellante] en [appellant] tot het uitspreken van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van hen afgewezen.

De slotsom

19. Het vorenoverwogene brengt mee dat de vonnissen waarvan beroep dienen te worden bekrachtigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep.

Aldus gewezen door mrs Melssen, voorzitter, Wachter en Tromp, raden, en uitgesproken door mr Melssen, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr Vlietstra als griffier ter bijzondere openbare terechtzitting van dit hof van vrijdag 7 februari 2003.