Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF4448

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-02-2003
Datum publicatie
12-02-2003
Zaaknummer
BK 2023/02 Schenkingsrecht
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-0341
V-N 2003/28.1.30

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: 2023/02 7 februari 2003

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van de heer X per adres te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren van de belastingdienst te Groningen (hierna: de inspec-teur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde navorderingsaanslag in het recht van schenking voor het jaar 1997 (aanslagnummer 0.00.00.0000).

1.a Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende werd voor het jaar 1997 een navorderingsaanslag in het recht van schenking opgelegd naar een verkrijging als bedoeld in de Successiewet 1956 (hierna te noemen: de Wet) van f 7.500,- met een verhoging van per saldo 50 percent.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden (ongedateerde) uitspraak de navorderingsaanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), dat op 7 maart 2002 is ingekomen.

Het hoofd van de eenheid particulieren van de belastingdienst te Hengelo/Vestiging Zwolle (hierna: de Inspec-teur) heeft geen verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 18 november 2002, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

1.b Ontvankelijkheid beroep

Gelet op het ontbreken van een datum op de uitspraak op bezwaar en de stelling van belanghebbende dat hij het afschrift van de uitspraak op bezwaar eind januari 2002 heeft ontvangen moet het op 7 maart 2002 ingekomen beroep ontvankelijk worden geacht.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Op 20 en 21 januari 1999 stelde de Belastingdienst/Ondernemingen Groningen een boekenonderzoek over het jaar 1997 in bij de eenmanszaak van belanghebbendes zwager.

2.2 Tijdens dit onderzoek bleek dat een tante van belanghebbende, mw. A, overleden op 9 oktober 1997, laatstelijk gewoond hebbende te Z, enkele weken voor haar overlijden aan belanghebbende f 7.500,- had geschonken.

2.3 Terzake van het ontvangen van genoemde gelden is door belanghebbende geen aangifte gedaan voor het schenkingsrecht.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur het bedrag van f 7.500,- terecht heeft belast met recht van schenking, ondanks het feit dat hij ter zake hiervan eveneens successierecht heeft geheven.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

3.2 Belanghebbende doet zijn standpunt steunen op de gronden welke door hem zijn aangevoerd in de van hem afkomstige stukken. Hij heeft ter zitting geen nieuwe argumenten toegevoegd.

3.3 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de navorderingsaanslag.

De inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Ten aanzien van het geschilpunt merkt het Hof op dat ingevolge artikel 12 in verband met artikel 10, lid 4, van de Wet 1956 het schenkingsrecht in het onderhavige geval in beginsel wordt verrekend met het successierecht, zodat de onderhavige navorderingsaanslag ter zake dus niet hoeft te worden verminderd.

4.2 In het geschil is het gelijk derhalve aan de zijde van de inspecteur.

4.3 Nu overigens niet is gesteld of aannemelijk is geworden dat de onderhavige navorderingsaanslag onjuist zou zijn berekend, dient te worden beslist als hierna te vermelden.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het hof

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 7 februari 2003 door mr. J. Huiskes, raadsheer en voorzitter, mr. F.J.W. Drion en mr. H.H.A. Fransen, raadsheren, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mw. mr. M. Hiemstra en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 12 februari 2003 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.