Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF4320

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-02-2003
Datum publicatie
11-02-2003
Zaaknummer
WAHV 02-00686
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 5, geldigheid: 2003-02-04
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 5, geldigheid: 2003-02-04
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9, geldigheid: 2003-02-04
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 3, geldigheid: 2003-02-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 02/00686

4 februari 2003

CJIB 09044416279

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Utrecht

van 8 juli 2002

betreffende

[betrokkene]

(hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [plaatsnaam]

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep. Hierbij is verzocht om de Staat der Nederlanden (het hof leest: de advocaat-generaal) te veroordelen in de kosten te vermeerderen met rente.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 14 november 2002. De betrokkene noch de gemachtigde is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen dhr. W.K.Vlietstra. Het hof heeft hierop besloten de zaak aan te houden teneinde de verbalisante als getuige ter zitting op te roepen.

De zaak is vervolgens behandeld ter zitting van 3 december 2002. De betrokkene noch haar gemachtigde is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. J. Dijkstra. Op verzoek van de gemachtigde van de betrokkene is de zaak aangehouden tot de zitting van 21 januari 2003.

De zaak is behandeld ter zitting van 21 januari 2003. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. N.D.P. van der Hoek. Verder is verschenen de getuige P.N. van der Heijden, hoofdagente van politie van de Regiopolitie Utrecht.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 250,- (= Euro€ 113,45) opgelegd ter zake van "zich links bevinden van de doorgetrokken streep tussen rijstroken/op paden met verkeer in beide richtingen", welke gedraging zou zijn verricht op 26 juli 2001 op de Ir. Enschedeweg te Wilnis.

3.2. De gemachtigde van de betrokkene, die ten tijde van de gedraging de bestuurder van het voertuig was, ontkent de gedraging te hebben verricht. De gemachtigde van de betrokkene voert aan, dat de verbalisante niet bevoegd was om de sanctie op te leggen, nu zij de gedraging buiten diensttijd heeft geconstateerd.

3.3. Artikel 3, tweede lid van de WAHV bepaalt, dat de ambtenaren bedoeld in het eerste lid van dat artikel bevoegd zijn tot het opleggen van een administratieve sanctie. Het eerste lid bepaalt, dat met het toezicht op de naleving van de voorschriften waarop de WAHV betrekking heeft zijn belast de bij algemene maatregel van bestuur belaste ambtenaren. Artikel 2 van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994 wijst onder meer als zodanig aan - zakelijk weergeven - de ambtenaren van politie die een algemene opsporingsbevoegdheid bezitten op grond van het Wetboek van

Strafvordering. De getuige is hoofdagente van politie en als zodanig opsporingsambtenaar met algemene opsporingsbevoegdheid. Er is geen regel die verhindert, dat een opsporingsambtenaar met algemene opsporingsbevoegdheid buiten diensturen de hem bij of krachtens de wet toegekende bevoegdheden uitoefent (vgl. het arrest van het hof Leeuwarden van 12 juni 2002, WAHV 02/00160). Het verweer van de gemachtigde van de betrokkene treft derhalve geen doel.

3.4. De gemachtigde van de betrokkene voert verder aan, dat hij ten onrechte niet is staandegehouden.

3.5. De getuige Van der Heijden heeft ter zitting onder meer verklaard, dat zij ten tijde van de gedraging in een onopvallend dienstvoertuig reed zonder transparant, dat zij zich in een rij auto's bevond die door de gemachtigde van de betrokkene werd ingehaald en dat de betrokken auto uit het zicht verdween. Gelet hierop bestond er naar het oordeel van het hof voor de verbalisante geen reële mogelijkheid om de bestuurder van de betrokken auto staande te houden. Deze grief treft derhalve evenmin doel.

3.6. De gemachtigde van de betrokkene heeft tevens aangevoerd, dat de weg waarop de gedraging zou zijn verricht deels onderbroken en deels ononderbroken strepen kent en dat het hem niet duidelijk is waar de gedraging zou zijn verricht. Ter zitting heeft de getuige uitleg gegeven omtrent de plaats van de gedraging. Gelet op het feit dat de gemachtigde van de betrokkene ter zitting heeft verklaard dat het hem thans duidelijk is waar de gedraging zou zijn verricht gaat het hof ervan uit dat dit punt niet meer in geschil is.

3.7. De getuige heeft ter zitting verklaard, dat de gemachtigde van de betrokkene de rij van vier auto's waarin zij zich als achterste bevond ging inhalen, terwijl er nog geen sprake was van een doorgetrokken streep. Wel was er sprake van blokken op het wegdek die in lengte waren toegenomen. Het hof begrijpt daaruit dat ter plaatse de asstrepen waren uitgevoerd als waarschuwingsstrepen.

3.8. De gemachtigde van de betrokkene heeft daarop naar voren gebracht, dat de sanctie zou moeten worden gematigd, omdat niet gebleken is dat de verkeerssituatie op het moment waarop hij zich links van de doorgetrokken streep bevond het toeliet dat hij naar de rechter weghelft kon terugkeren.

3.9. Art. 5 WVW1994 luidt:

Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.

Art. 62 RVV1990 luidt: "Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden".

Uit het samenstel van deze beide bepalingen volgt, dat de weggebruiker zichzelf in staat dient te stellen kennis te nemen van de voor hem geldende verkeerstekens en dat hij de verplichtingen die de verkeerstekens hem opleggen dient op te volgen.

3.10. Daargelaten de vraag of de verkeerssituatie het toeliet of de gemachtigde van de betrokkene ter plaatse naar de rechter weghelft kon terugkeren, dient dit voor zijn rekening te komen, nu hij door een rij auto's in te halen, ter plaatse waar de wegbebakening aangeeft, dat overschrijding van de wegas een meer dan normaal risico meebrengt, zichzelf in de situatie heeft gebracht, dat hij het in art. 76 RVV1990 bepaalde verbod om zich links van de doorgetrokken streep te bevinden heeft overtreden. Het hof ziet derhalve geen aanleiding de opgelegde sanctie te matigen.

3.11. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

3.12. Nu de betrokkene in het ongelijk is gesteld, zal het hof het verzoek om een kostenvergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente afwijzen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om kostenvergoeding af.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.