Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF4312

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
05-02-2003
Datum publicatie
11-02-2003
Zaaknummer
WAHV 02-00938
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:15, geldigheid: 2003-02-05
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9, geldigheid: 2003-02-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 02/00938

5 februari 2003

CJIB 19041392502

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Amsterdam

van 15 mei 2002

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 250 (= Euro€ 113,45) opgelegd ter zake van "voetgangers (voornemens) op voetgangersoversteekplaats (over te steken) niet voor laten gaan", welke gedraging zou zijn verricht op 26 maart 2001 op de De Boelelaan ter hoogte van het VU Ziekenhuis te Amsterdam.

3.2. De inleidende beschikking is op 27 april 2001 aan de betrokkene toegezonden. Bij brief van 27 mei 2001 heeft de betrokkene tegen deze beschikking beroep ingesteld. De betrokkene heeft het beroepschrift abusievelijk gestuurd naar het postbusnummer van de administratieve eenheid van de politie, zoals vermeld op de inleidende beschikking. Deze eenheid heeft het beroepschrift doorgezonden naar de officier van justitie, die het op 20 juni 2001 heeft ontvangen.

3.3. Aangezien beroep dient te worden ingesteld binnen zes weken na de dag waarop het besluit aan de betrokkene is toegezonden, is het beroep niet tijdig ingediend. Om die reden heeft de officier van justitie het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

3.4. Art. 6:15, eerste lid, Awb luidt, voor zover hier van belang, als volgt: Indien het beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan, wordt het, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender.

3.5. In aanmerking genomen, dat het beroepschrift is gedateerd 27 mei 2001, dat de administratieve eenheid van de politie geen datum van ontvangst op het beroepschrift heeft aangetekend en dat zich bij de gedingstukken geen envelop, waarin het beroepschrift is verzonden, bevindt, moet het ervoor worden gehouden, dat het beroepschrift binnen de beroepstermijn door de administratieve eenheid van de politie is ontvangen.

3.6. Het derde lid van art. 6:15 Awb luidde ten tijde in geding en voor zover hier van belang als volgt: Het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan is bepalend voor de vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend indien: a. geen juiste toepassing aan art. 3:45 is gegeven, c. de onbevoegdheid van het orgaan voor de indiener van het geschrift op een andere grond onduidelijk kon zijn.

3.7. Het hof is van oordeel dat geen van beide voormelde situaties zich voordoet, nu op de voorzijde van de inleidende beschikking duidelijk wordt aangegeven, dat beroep kan worden ingesteld bij de officier van justitie, Postbus 84500, 1080 BN Amsterdam.

3.8. Echter, zoals in een eerder arrest reeds overwogen (WAHV 01/00152) is het hof van oordeel dat ter zake van de vraag als hier van belang vooruit kan worden gelopen op de inwerkingtreding van de Eerste evaluatiewet Awb (Wet van 24 januari 2002, Stb. 2002, 53), waarbij het derde lid van art. 6:15 Awb zodanig is gewijzigd dat het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan steeds bepalend is voor de vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend behoudens één hier niet ter zake doende uitzondering. Het beroepschrift dient derhalve als tijdig ingediend te worden beschouwd.

3.9. Gelet op het vorenoverwogene kunnen de beslissing van de kantonrechter en de officier van justitie niet in stand blijven. Om doelmatigheidsredenen zal het hof de zaak niet terugwijzen, maar zelf afdoen.

3.10. De betrokkene ontkent de gedraging te hebben verricht. Hiertoe voert hij het volgende aan. De betrokkene weet van zich zelf dat hij fietsers en voetgangers altijd met grote voorzichtigheid benadert. Verder is er ter hoogte van het VU ziekenhuis een opgebroken situatie en is er veel verkeer. Er zijn diverse parkeergarages en -plaatsen en bushaltes. Bussen, ambulances en taxi's rijden af en aan. Verder zijn er verschillende oversteekplaatsen, maar waren er ten tijde in geding geen verkeerslichten voor voetgangers. In een dergelijke situatie is het soms onvermijdelijk dat er een aftastsituatie ontstaat tussen voetgangers en overige verkeer, omdat anders geen doorgaand verkeer mogelijk is, aldus de betrokkene. Verder voert de betrokkene aan, dat door het ontbreken van fotobewijs en het feit dat hij niet is staandegehouden het hem volstrekt onduidelijk is bij welke voetgangersoversteekplaats de gedraging is verricht. Volgens de betrokkene heeft hij niemand in gevaar gebracht, maar is er sprake geweest van een aftastsituatie, die door de verbalisant anders is geïnterpreteerd.

3.11. De ambtsedige verklaring van de verbalisant, zoals vermeld op de aankondiging van beschikking, houdt in dat vier personen en een baby zich bevonden op de voetgangersoversteekplaats, dat de bestuurder doorreed alsof hij ze niet zag oversteken en dat er in verband met de verkeerssituatie ter plaatse geen staandehouding heeft plaatsgevonden, maar op kenteken is bekeurd.

3.12. Art. 49, tweede lid, RVV1990 luidt:

"Bestuurders moeten voetgangers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, die op een voetgangersoversteekplaats oversteken of kennelijk op het punt staan zulks te doen, voor laten gaan."

3.13. De nota van toelichting op het aan art. 49 RVV1990 voorafgaande art. 100 RVV1966 houdt onder meer in:

"Bepaald wordt dat de bestuurders een voetgangersoversteekplaats voorzichtig naderen en aan voetgangers, die zich daarop bevinden, onbelemmerde doorgang verlenen. Dit laatste beduidt, dat de voetganger zonder onderbreking zijn weg moet kunnen vervolgen, indien hij zich eenmaal op de voetgangersoversteekplaats heeft begeven."

3.14. De nota van toelichting op art. 49 RVV1990 houdt onder meer in:

"De term "ongehinderde doorgang verlenen" in de oude regeling is vervangen door "voor laten gaan". Het ongehinderd doorgang verlenen dat veel lijkt op de betekenis van voorrang, wordt gereserveerd voor bestuurders die elkaar op een kruising naderen. Voor andere gevallen waarbij prioriteit van de één boven de ander moet worden vastgelegd wordt de term "voor laten gaan" gebezigd."

3.15. Gelet op hetgeen de verbalisant blijkens de aankondiging van de beschikking heeft waargenomen, alsmede gelet op de wetsgeschiedenis, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan, dat de hiervoor onder 3.1. weergegeven gedraging is verricht. Het hof gaat voorbij aan het verweer van de betrokkene dat het hem niet duidelijk is bij welke voetgangersoversteekplaats is verricht, nu de betrokkene niet heeft aangevoerd, dat hij daardoor in zijn belangen is geschaad.

3.16. Hetgeen de betrokkene aanvoert omtrent een mogelijke aftastsituatie maakt het oordeel van het hof niet anders. Immers, met het oog op de veiligheid van het verkeer mag een bestuurder uit gedrag van een voetganger niet eerder afleiden dat deze zijn recht om voor te gaan prijsgeeft, dan wanneer hij zelf eerst aan de verplichting heeft voldaan de voetganger de gelegenheid te geven ongehinderd over te steken. Het hof is derhalve van oordeel, dat de door de betrokkene aangevoerde omstandigheden waaronder de gedraging is verricht niet van zodanige aard zijn dat deze het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken dan wel dat deze tot matiging van de opgelegde administratieve sanctie zouden moeten leiden.

3.17. De stelling, dat door zijn gedrag niemand in gevaar is gebracht kan de betrokkene evenmin baten, nu overtreding van art. 49, tweede lid, RVV1990 niet alleen in geval van concrete gevaarzetting een gedraging oplevert in de zin van de WAHV.

3.18. Gelet op het voorgaande zal het hof het beroep van de betrokkene tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaren.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het bij de kantonrechter ingestelde beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie;

verklaart het bij de officier van justitie ingestelde beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Van Dijk en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.