Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF4308

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
05-02-2003
Datum publicatie
11-02-2003
Zaaknummer
WAHV 02-00807
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26, geldigheid: 2003-02-05
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26a, geldigheid: 2003-02-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 02/00807

5 februari 2003

CJIB 22975806

Gerechtshof te Leeuwarden

Beschikking

op het hoger beroep tegen de beschikking

van de kantonrechter van de rechtbank te Arnhem

van 17 mei 2002

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beschikking van de kantonrechter

De kantonrechter heeft de betrokkene in het verzet tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 7 april 1999 uitgevaardigd dwangbevel niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge art. 26a, tweede en derde lid, WAHV is degene die hoger beroep heeft ingesteld tegen een beschikking als de onderhavige slechts ontvankelijk in dat beroep na voorafgaande zekerheidstelling van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten en voorts na betaling van het verschuldigde griffierecht.

3.2. De betrokkene voert aan, dat hij gelet op zijn financiële draagkracht niet in staat is het griffierecht te voldoen. Gelet hierop gaat het hof ervan uit dat de betrokkene evenmin in staat is om het bedrag van de zekerheidstelling ad € Euro 454,12 te voldoen.

3.3. Hetgeen de betrokkene in hoger beroep aanvoert geeft in beginsel aanleiding te overwegen of de verplichting in volle omvang griffierecht te betalen en zekerheid te stellen tot het volledige verschuldigde bedrag en al de kosten een zodanige belemmering oplevert, dat een en ander in het onderhavige geval zou neerkomen op een ontoelaatbare beperking van het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie. Bij een positieve beantwoording van die vraag zou mogelijk redelijkerwijs geoordeeld moeten worden dat de betrokkene ten aanzien van de genoemde verplichtingen niet in verzuim is geweest.

3.4. Toch zal het hof de betrokkene om proces-economische redenen niet opnieuw in de gelegenheid stellen aan de verplichtingen als bedoeld in art. 26a, tweede en derde lid, WAHV te voldoen in een omvang die overeenstemt met zijn financiële situatie. De ontvankelijkheid van het hoger beroep kan de betrokkene namelijk niet baten, aangezien een inhoudelijke beoordeling door het hof van de beslissing van de kantonrechter niet anders zou kunnen inhouden dan dat de door deze uitgesproken niet-ontvankelijkheid van het beroep dient te worden bevestigd, nu aan die beslissing ten grondslag ligt, dat de betrokkene geen afschrift van het exploit van betekening heeft overgelegd.

3.5. Immers, ingevolge art. 26, derde lid, WAHV dient bij het indienen van het verzetschrift onder meer een afschrift van het exploit van betekening te worden overgelegd bij de rechtbank. Op 29 januari 2002 is aan de betrokkene door de griffier van de rechtbank een brief gezonden met de mededeling dat de betrokkene in de gelegenheid wordt gesteld om binnen twee weken na verzending van de brief een afschrift over te leggen van het betekeningsexploit. In de oproeping voor de zitting van de kantonrechter, dit is een brief van 28 maart 2002, is de betrokkene op het verzuim gewezen dat hij nog niet heeft voldaan aan het gestelde in de brief van 29 januari 2002 en is de betrokkene in de gelegenheid gesteld om vóór de zitting genoemde afschrift over te leggen. Gesteld noch gebleken is dat de betrokkene het gevraagde afschrift heeft overgelegd.

3.6. Art. 26, vijfde lid, WAHV, houdt in dat het verzet, indien de indiener van het verzetschrift niet binnen twee weken na de dag van verzending van de mededeling van de griffier voormelde stukken overlegt, niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.7. De betrokkene voert in hoger beroep aan, dat het exploit van betekening is zoekgeraakt.

3.8. Deze omstandigheid komt voor risico van de betrokkene en brengt niet mee dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest.

Mede in acht genomen dat de betrokkene niet heeft gereageerd op de brieven van 29 januari 2002 en 28 maart 2002, heeft de kantonrechter de betrokkene dan ook terecht in zijn verzet niet-ontvankelijk verklaard.

3.9. Nu derhalve het de betrokkene opnieuw in de gelegenheid stellen de voor het hoger beroep benodigde bedragen aan zekerheidstelling en griffierecht te voldoen op een wijze die in overeenstemming is met zijn draagkracht op grond van het hiervoor overwogene niet zinvol is en het belang daarvan voor de betrokkene gelet op het bovenoverwogene ontbreekt, zal het hof hem niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van

mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.