Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF4302

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
05-02-2003
Datum publicatie
11-02-2003
Zaaknummer
WAHV 02/00790
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11, geldigheid: 2003-02-05
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d, geldigheid: 2003-02-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 02/00790

5 februari 2003

CJIB 29049062413

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage

van 1 juli 2002

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [plaatsnaam]

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde]

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Hierbij is verzocht de Staat der Nederlanden te veroordelen in de kosten. Tevens is verzocht om vergoeding van de gederfde interest over de zekerheidstelling.

Bij faxbericht d.d. 18 september 2002 heeft de gemachtigde van de betrokkene verzocht om een afschrift van het volledige dossier.

Op 19 september 2002 heeft de griffier van het hof een afschrift van het dossier aan de gemachtigde van de betrokkene toegezonden.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

Bij faxbericht d.d. 22 oktober 2002 heeft de gemachtigde van de betrokkene een definitieve opsomming van zijn proceskosten aan het hof doen toekomen. Een afschrift hiervan is aan de advocaat-generaal gezonden.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van €Euro 132 opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid binnen beb. kom bij wegwerkzaamheden (verkeersbord A1); > 20 en t/m 25 km/h", welke gedraging zou zijn verricht op 24 januari 2002 op de Houtrustweg ter hoogte van gemaal en wegwerkzaamheden te 's-Gravenhage. De gedraging zou zijn verricht met het voertuig met het kenteken 52-GN-LR

3.2. De gemachtigde van de betrokkene, die ten tijde van de gedraging de bestuurder van het voertuig was, ontkent de gedraging te hebben verricht en stelt zich op het standpunt dat er geen bewijs is voor het begaan van een snelheidsovertreding. Hiertoe voert de betrokkene aan, dat de op de foto geproduceerde gegevens niet correct zijn en ook al zou dat wel het geval zijn dan nog mag de foto-opname niet meewegen bij de beoordeling van de vraag of het begaan van de overtreding aannemelijk is gemaakt, omdat het gaat om een momentopname en er derhalve geen sprake is van een deugdelijke en betrouwbare meting. Verder voert de betrokkene aan, dat de meetapparatuur defect was, dat de kantonrechter een onderzoek had dienen in te stellen naar de betrouwbaarheid van de meting en dat de kantonrechter in verband hiermee de verbalisant ter zitting als getuige had moeten horen. De betrokkene heeft tenslotte aangevoerd dat niet duidelijk is door welke instantie, namelijk de officier van justitie of de opsporingsambtenaar, de sanctie is opgelegd en dat op grond van dit enkele feit de inleidende beschikking moet worden vernietigd.

3.3. Het hof heeft - in navolging van de Hoge Raad - reeds eerder vastgesteld dat het opleggen van een administratieve sanctie ter zake van een gedraging omschreven in de bij de WAHV behorende bijlage, een criminal charge is als bedoeld in art. 6 EVRM. Dat brengt mee dat de betrokkene aan wie een dergelijke sanctie is opgelegd, op de voet van het tweede lid van dat artikel voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB, in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling van de schuld van de betrokkene. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring in het zaakoverzicht dan wel uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken. Indien een en ander zich niet voordoet, bestaat geen noodzaak tot nader onderzoek.

3.4. De ambstedige verklaring van de verbalisant, zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB, houdt onder meer het volgende in:

"Pleegdatum: 240102 Pleegtijdstip: 1120

Pleeglokatie: Houtrustweg t.h.v. gemaal en wegwerkzaamheden

Pleegplaats: 's-Gravenhage

Gecon. snelheid: 55 Toegestane snelheid: 30

Kentekenvoertuig: 52GNLR

Merk van het voertuig: Opel

De geconstateerde snelheid is het resultaat van een uitgevoerde correctie op de gemeten radarsnelheid, overeenkomstig de richtlijn van de Vecom

De gemeten snelheid stelde ik vast met behulp van een voor de meting geteste en op de voorgeschreven wijze gebruikt verkeersmeetmiddel

Gemeten radarsnelheid: 058

De gedraging vond plaat binnen de bebouwde kom

Tot het dossier behoort een tweetal foto's, waarop een voertuig is afgebeeld van het merk Opel met het kenteken 52-GN-LR. Op één van deze foto's is een venster afgebeeld, waarop onder meer "058" en "1120" is vermeld.

3.5. De betrokkene stelt daartegenover slechts zijn ontkenning de gedraging te hebben verricht, maar voert ter ondersteuning van die ontkenning geen voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aan. De betrokkene volstaat met het naar voren brengen van algemeenheden die geen grondslag hebben in het dossier. Het hof is bij die stand van zaken niet gehouden de algemeenheden zoals weergegeven in r.o. 3.2. nader te onderzoeken.

3.6. De betrokkene voert verder - naar het hof begrijpt - aan, dat het ijkrapport ten onrechte niet tot de gedingstukken behoort.

3.7. Het hof overweegt dat geen wettelijke bepaling voorschrijft dat het ijkrapport van meetapparatuur deel uitmaakt van de stukken van het geding. Op overlegging daarvan kan de betrokkene in het kader van de onderhavige procedure dan ook geen aanspraak maken, noch op grond van artikel 11, vierde lid WAHV, noch op grond van enige andere wettelijke bepaling.

3.8. Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de ambtsedige verklaring in het zaakoverzicht alsmede aan de op de twee foto's afgebeelde gegevens. Naar de overtuiging van het hof is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

3.9. Nu de betrokkene in het ongelijk is gesteld, zal het hof het verzoek om het vergoeden van proceskosten en gederfde interest in verband met de zekerheidstelling afwijzen

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten en gederfde interest in verband met de zekerheidstelling af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Van Dijk en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.