Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF4086

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
29-01-2003
Datum publicatie
07-02-2003
Zaaknummer
WAHV 02/00742
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Voertuigreglement 3.6.12.
Voertuigreglement 5.6.8.
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2003, 126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 02/00742

29 januari 2003

CJIB 79044371666

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage

van 17 april 2002

Betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage gegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

De advocaat-generaal heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De betrokkene heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van ƒ 180,-- (= Euro€ 81,68) opgelegd ter zake van "bromfiets (constructie max. 45 km/h) overschrijdt max. constructiesnelheid meer dan 20 en t/m 25 km/h", welke gedraging zou zijn verricht op 12 juni 2001 op de Graaf Florisweg te Gouda.

3.2. De gedraging is een overtreding van het voorschrift van art.5.1.1, eerste lid onder c. Voertuigreglement (VR) in verbinding met art. 5.6.8 VR.

3.3. De officier van justitie voert in zijn beroepschrift aan, dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat ten aanzien van art 5.6.8 VR moet worden aangenomen, dat voertuigen die reeds op 1 januari 1994 in gebruik waren buiten het toepassingsgebied van dat artikel vallen.

3.4. De kantonrechter heeft aan zijn beslissing de navolgende redenering ten grondslag gelegd. Richtlijn 92/61/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 30 juni 1992 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen is niet van toepassing op voertuigen die reeds in gebruik zijn vóór het tijdstip waarop deze richtlijn van toepassing wordt. Richtlijn 95/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 2 februari 1995 betreffende de door de constructie bepaalde maximumsnelheid, het maximumkoppel en het netto-maximumvermogen van twee- of driewielige motorvoertuigen is een bijzondere richtlijn ten opzichte van Richtlijn 92/61/EEG. Art. 5.6.8 VR vormt blijkens de Nota van Toelichting bij de wijziging van het VR (Besluit van 24 november 1997, Stb. 603) de implementatie van Richtlijn 95/1/EG. Art. 18 van Richtlijn 92/61/EEG bepaalt, dat deze richtlijn van toepassing wordt op 1 januari 1994. Dat wil zeggen, dat zowel deze richtlijn als de bijzondere Richtlijn 95/1/EG niet van toepassing zijn op twee- of driewielige motorvoertuigen die reeds in gebruik waren vóór 1 januari 1994. Richtlijnconforme interpretatie van art 5.6.8 VR brengt mee, aldus de kantonrechter, dat dit artikel evenmin van toepassing is op twee- of driewielige motorvoertuigen die vóór 1 januari 1994 reeds in gebruik waren.

Aangezien het bouwjaar van de bromfiets van de betrokkene 1974 is, is art. 5.6.8 VR op deze bromfiets niet van toepassing.

3.5. Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

3.6. Richtlijn 92/61/EEG legt - zoals kort samengevat in de considerans van Richtlijn 2002/24/EG, die met ingang van 9 november 2003 Richtlijn 92/61/EEG zal vervangen - ,"de communautaire goedkeuringsprocedures vast voor motorvoertuigen op twee of drie wielen, onderdelen en technische eenheden die overeenkomstig de technische eisen van de bijzondere richtlijnen zijn vervaardigd." Deze richtlijn voorziet onder meer in een definitie van bromfietsen. Blijkens art. 1, tweede lid zijn bromfietsen: "twee- of driewielige voertuigen met een motor waarvan de cilinderinhoud ten hoogste 50 cm³ bedraagt, indien het een motor met inwendige verbranding is, en met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 45 km/h."

Onder goedkeuring verstaat Richtlijn 92/61/EEG in art. 2 , lid 6: "de handeling waarbij een Lid-Staat vaststelt dat een type voertuig in overeenstemming is met de technische voorschriften van de bijzondere richtlijnen en met de door de fabrikant verstrekte gegevens, opgenomen in de uitputtende lijst van bijlage I."

Richtlijn 95/1/EG is een bijzondere richtlijn als bedoeld in Richtlijn 92/61/EEG. Art. 5 van richtlijn 95/1/EG houdt in: "De Lid-Staten stellen de bepalingen die nodig zijn om uiterlijk op 2 augustus 1996 aan deze richtlijn te voldoen, vast en maken deze bekend. (....) Vanaf bovengenoemde datum mogen de Lid-Staten het voor het eerst in het verkeer brengen van voertuigen die aan de bepalingen van deze richtlijn beantwoorden, niet meer verbieden. Zij passen deze bepalingen toe vanaf 2 februari 1997."

3.7. De richtlijnen harmoniseren derhalve de eisen die gesteld worden voor toelating van - onder meer - bromfietsen tot de weg. Art. 1 van Richtlijn 92/61/EEG bepaalt, dat voor voertuigen die reeds in gebruik zijn vóór het tijdstip waarop de richtlijn van toepassing wordt de richtlijn niet geldt.

Een en ander betekent, dat de Lid-Staten niet op grond van Richtlijn 92/61/EEG en de daarop gebaseerde bijzondere richtlijnen eisen mogen stellen aan de toelating van (onder meer) bromfietsen tot de weg die vóór 1994 reeds in gebruik waren, zoals het tweewielige voertuig van de betrokkene.

3.8. Het Voertuigreglement (Besluit van 16 juni 1994, Stb. 450) kent een duidelijk onderscheid tussen enerzijds de eisen voor toelating tot de weg, die in hoofdstuk 3 zijn opgenomen, en anderzijds de permanente eisen voor het gebruik van voertuigen op de weg in hoofdstuk 5.

De Nota van Toelichting op het Voertuigreglement bevat ten aanzien van de inhoud van het reglement onder meer het navolgende ( NvT ) :

"In hoofdstuk 3 zijn de eisen voor toelating van voertuigen tot de weg uitgewerkt. (....) In de toelatingseisen zijn tevens opgenomen de zogenaamde historische eisen. Deze eisen zijn van belang voor de toelating van voertuigen die reeds in gebruik zijn geweest zoals bijvoorbeeld uit het buitenland afkomstige voertuigen. Deze voertuigen, die bezwaarlijk kunnen voldoen aan de meest recente eisen, zullen worden getoetst aan de eisen zoals die golden in het jaar van ingebruikname van het voertuig. (...)

Hoofdstuk 5 bevat de permanente eisen die gelden voor voertuigen op de weg. De permanente eisen bestaan uit twee groepen eisen, te weten enerzijds eisen aan de onderscheiden categorieën voertuigen en anderzijds de zogenaamde gebruikseisen. De gebruikseisen zijn in feite gedragregels die rechtstreeks samenhangen met het gebruik dat van voertuigen wordt gemaakt, zoals de voorschriften in verband met de belading van voertuigen. (...) Evenals bij de toelatingseisen wordt bij de permanente voertuigeisen voorzien in historische eisen, waarbij de datum van ingebruikname van het voertuig bepalend is voor de toepasselijkheid van concrete eisen."

3.9. Bij Besluit van 24 november 1994, Stb. 603 zijn onder meer art. 3.6.12 en 5.6.8 VR gewijzigd.

Art. I onder AA van dit Besluit houdt in dat artikel 3.6.12 wordt gewijzigd in:

"Bromfietsen moeten voor wat betreft de wijze van meten van de door de constructie bepaalde maximumsnelheid, het maximumkoppel en het netto-maximumvermogen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 95/1/EG."

De Nota van toelichting op dit onderdeel houdt in:

"Een van de bijzondere richtlijnen in het kader van richtlijn 92/61/EEG (goedkeuring twee- of driewielige motorvoertuigen) is richtlijn 95/1/EG (de door de constructie bepaalde maximumsnelheid, het maximumkoppel en het netto-maximumvermogen van twee- of driewielige motorvoertuigen). De implementatie van laatstbedoelde richtlijn geschiedt in artikel 3.6.12. Omdat richtlijn 95/1/EG geen vermogenslimiet stelt, doch slechts de methode waarop het netto-maximumvermogen moet worden bepaald, kan het Voertuigreglement geen vermogenslimiet meer voorschrijven. Ingevolge richtlijn 95/1/EG ligt het zwaartepunt voor bromfietsen bij de door de constructie bepaalde maximum snelheid."

Artikel I onder XX van het besluit houdt onder meer in dat artikel 5.6.8 wordt gewijzigd in:

"- 1. Bromfietsen die zijn geconstrueerd voor een maximumsnelheid van ten hoogste 45 km/h, moeten bij voortduring voldoen aan deze door de constructie bepaalde maximumsnelheid.

- 2. (....)"

De Nota van Toelichting op dit onderdeel houdt onder meer in: "De vervanging van art. 5.6.8 houdt verband met de vervanging van artikel 3.6.12 als voorzien bij artikel I onder AA. Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting bij laatstbedoeld artikel. Zoals aldaar vermeld, komt ingevolge richtlijn 95/1/EG het zwaartepunt voor bromfietsen te liggen bij de door de constructie bepaalde maximumsnelheid, welke beslist niet hoger mag liggen dan 45 km/h dan wel 25 km/h. Ook de in voorbereiding zijnde EG-richtlijn tegen het opvoeren legt voor bromfietsen het zwaartepunt bij de door de constructie bepaalde maximumsnelheid. Blijkt de snelheid overschreden te kunnen worden, dan is dat een indicatie dat de brommer is opgevoerd. Het is derhalve noodzakelijk te bepalen, dat de maximale constructiesnelheid bij voortduring niet overschreden mag worden. Artikel 5.6.8 strekt daartoe.

Of deze snelheid overschreden kan worden, kan door de politie bijvoorbeeld gemeten worden door met politievoertuigen met geijkte snelheidsmeters achter deze brom- of snorfietsen aan te rijden. Dit is echter een omslachtige en binnen de bebouwde kom moeilijk realiseerbare methode. Derhalve is gezocht naar een methode waarmede de poltie bij staandehouding langs de weg op een effectieve wijze kan controleren of de betrokken brom- of snorfiets voornoemde maximumsnelheid kan overschrijden.

Dit kan gemeten worden met de thans reeds bij de politie in gebruik zijnde rollentestbank nadat deze bank een geringe aanpassing heeft ondergaan en opnieuw is geijkt. Met de aanpassing en ijking van de bestaande rollentestbanken is inmiddels een aanvang gemaakt, zodat deze naar het zich thans laat aanzien bij de inwerkingtreding van het voorliggende besluit ingezet kunnen worden."

3.10. Gelet op het duidelijke onderscheid, dat in de voertuigreglementering wordt gemaakt tussen enerzijds de toelatingseisen en anderzijds de permanente eisen is onjuist de opvatting van de kantonrechter, dat de wijziging van art. 5.6.8 VR is bedoeld als implementatie van Richtlijn 95/1/EG.

3.11. Het Voertuigreglement voorziet ten aanzien van bromfietsen niet in historische eisen als hierboven onder 3.8 weergegeven. Derhalve moet met betrekking tot bromfietsen worden aangenomen, dat ook wanneer zij in gebruik zijn genomen vóór het van toepassing worden van Richtlijn 92/61/EEG zij met betrekking tot het gebruik op de weg (als bromfiets) moeten voldoen aan onder meer het bepaalde in art 5.6.8 VR.

3.12. Uit de brief van 4 oktober 2001 van de ambtenaar die de administratieve sanctie heeft opgelegd is af te leiden dat de door de constructie bepaalde maximumsnelheid van de bromfiets van de betrokkene is gemeten conform het bepaalde in de artt. 3.4.6a t/m 3.4.9 van de Regeling permanente eisen.

3.13. Het bovenstaande leidt tot de slotsom, dat de beslissing van de kantonrechter moet worden vernietigd en het beroep dat de betrokkene heeft ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond dient te worden verklaard.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het ingestelde beroep alsnog ongegrond.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Van Dijk en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.