Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF3620

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-01-2003
Datum publicatie
30-01-2003
Zaaknummer
WAHV 02-01120
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 02/01120

22 januari 2003

CJIB 19044296689

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Arnhem

van 16 september 2002

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Arnhem niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. In hoger beroep is niet bestreden, dat de betrokkene niet binnen de in art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en evenmin dat de betrokkene binnen een nader gestelde termijn dit verzuim heeft hersteld.

3.2. De betrokkene beroept zich op een in een brief van de griffier van de rechtbank Arnhem aan hem d.d. 25 juli 2002 opgenomen passage omtrent de zekerheidstelling, luidende: "wanneer tijdige zekerheidstelling achterwege blijft, kan de kantonrechter U in Uw beroep niet ontvankelijk verklaren", en is daarom van mening dat de kantonrechter niet kon komen tot het stellige oordeel, dat de betrokkene niet in zijn beroep kan worden ontvangen wegens het uitblijven van stellen van zekerheid. Het hof verstaat het verweer aldus, dat de betrokkene er vanuit gaat dat sprake is van een discretionaire bevoegdheid van de kantonrechter.

3.3. Ingevolge art. 11, eerste lid, WAHV wordt een bij de officier van justitie ingediend beroepschrift door deze aan de rechtbank ter kennis gebracht binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie, dan wel de termijn daarvoor is verstreken.

Het derde lid van art. 11 WAHV houdt in dat:

- de zekerheid wordt gesteld bij het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden (CJIB), hetzij door middel van de aan de betrokkene toegezonden acceptgiro, hetzij anderszins door storting op de rekening van het CJIB;

- de officier van justitie de indiener van het beroepschrift na de ontvangst ervan wijst op de verplichting tot zekerheidstelling en hem mededeelt dat de zekerheidstelling dient te geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van deze mededeling;

- indien de zekerheidstelling niet binnen deze termijn is geschied het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.4. Een redelijke uitleg van deze wetsbepaling brengt mee dat de voorgeschreven mededeling van de officier van justitie tenminste moet inhouden dat op grond van een wettelijk voorschrift (art. 11 WAHV) zekerheid dient te worden gesteld voor de betaling van de opgelegde sanctie en dat het bedrag van de zekerheidstelling gelijk is aan het bedrag van die sanctie, en voorts de wijze waarop en de termijn waarbinnen de zekerheid dient te worden gesteld, alsmede dat wanneer tijdige zekerheidstelling achterwege blijft het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.5. Bij de stukken van het geding bevinden zich de in de bestreden beslissing bedoelde mededelingen omtrent de zekerheidstelling, te weten een brief van 12 april 2002 en een brief van 13 mei 2002 van de officier van justitie aan de betrokkene, alsmede voornoemde brief van de griffier van de rechtbank Arnhem aan de betrokkene d.d. 25 juli 2002. In alle brieven is opgenomen, zakelijk weergegeven, dat indien niet wordt voldaan aan de verplichting tot zekerheidstelling, de kantonrechter het beroep niet ontvankelijk kan verklaren.

3.6. Gesteld noch gebleken is dat de betrokkene op de brieven d.d. 12 april 2002 en 13 mei 2002 heeft gereageerd, in die zin dat hij bij de officier van justitie inlichtingen heeft ingewonnen wegens bij hem gerezen twijfel omtrent de noodzaak om zekerheid te stellen. Het hof acht daarom niet aannemelijk dat de formulering in de brieven met betrekking tot het gevolg van het achterwege blijven van de zekerheidstelling er toe heeft geleid dat de betrokkene geen zekerheid heeft gesteld. Hetzelfde geldt ten aanzien van de brief van de griffier van de rechtbank Arnhem d.d. 25 juli 2002, nu de betrokkene ook niet op deze brief heeft gereageerd.

3.7. Waar reeds tenminste één brief, te weten die van 12 april 2002, aan alle daaraan te stellen eisen voldoet, brengt een en ander mee dat het in de bestreden beslissing liggend oordeel van de kantonrechter dat niet is voldaan aan voormeld wettelijk voorschrift juist is en dat het beroep dan ook terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

3.8. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.