Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF3270

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-01-2003
Datum publicatie
27-01-2003
Zaaknummer
Rolnummer 0100242
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 22 januari 2003

Rolnummer 0100242

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in het bevoegdheidsincident van:

[appellant],

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr J.V. van Ophem,

tegen

de besloten vennootschap [geïntimeerde],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde in het principaal en appellante in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr J. de Goede.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen

uitgesproken op 23 januari 2001 en 15 mei 2001 door de rechtbank te Assen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 30 juli 2001 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 22 augustus 2002.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"dat het uw Gerechtshof moge behagen de in de appèldagvaarding genoemde vonnissen te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering(en) van [appellant] alsnog toe te wijzen, alsmede [geïntimeerde] alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar in eerste aanleg voorwaardelijk ingestelde vordering in reconventie, althans deze vordering af te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in twee instanties en in beide procedures, uitvoerbaar bij voorraad."

Bij memorie van antwoord in conventie, tevens houdende exceptie van onbevoegdheid, tevens houdende eis in reconventie in principaal appel, tevens houdende incidentele memorie van grieven is door [geïntimeerde] een exceptie van onbevoegdheid opgeworpen , alsmede verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie:

"dat [geïntimeerde] concludeert dat het uw Hof behage:

I in het principaal appèl:

zich onbevoegd te verklaren, en voor het geval Uw Gerechtshof zich wel bevoegd acht, appellante niet ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans haar vorderingen af te wijzen;

II in het incidenteel appèl:

te vernietigen het eindvonnis waarvan beroep en alsnog incidenteel verweerster tevens eiseres in eerste aanleg niet ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen althans deze aan haar te ontzeggen;

III in het principaal appèl als ook in het incidenteel appel:

met verwijzing van appellante in het principaal appèl, tevens incidenteel verweerster in de kosten van de procedure in twee instanties en in beide procedures, uitvoerbaar bij voorraad."

[appellant] heeft een memorie van antwoord op de exceptie van onbevoegdheid genomen, met als conclusie:

"tot verwerping van de door [geïntimeerde] opgeworpen exceptie van onbevoegdheid en voortzetting van de procedure in de stand waarin zij zich bevindt, kosten rechtens."

Partijen hebben vervolgens arrest gevraagd in het bevoegdheidsincident en het hof heeft een datum voor het wijzen van arrest bepaald.

De beoordeling

1. Op de verdere behandeling van deze zaak is het procesrecht van toepassing zoals dat gold tot 1 januari 2002.

2. In haar inleidende dagvaarding vordert [appellant] het volgende:

a. voor recht te verklaren dat gedaagde (lees: [geïntimeerde]) aansprakelijk is voor het ongeval van [werknemer], alsmede voor de gevolgen daarvan;

b. gedaagde te veroordelen tot betaling aan eiseres (lees: [appellant]) van een bedrag groot hfl 40.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 februari 1998;

c. gedaagde te veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten door eiseres gemaakt, enz.

d. gedaagde te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3. Aan haar vordering heeft [appellant], zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd:

[werknemer], een werknemer van [appellant], heeft op 12 augustus 1996 letsel opgelopen tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden. [werknemer] was ten tijde van het ongeval bij [geïntimeerde] tewerkgesteld. De zorg voor de veiligheid voor haar eigen en voor de bij haar tewerkgestelde werknemers lag bij [geïntimeerde].

[appellant] heeft in verband met het door [werknemer] ten gevolge van het ongeval opgelopen letsel aan [werknemer] een bedrag groot hfl 40.000,-- uitgekeerd. [appellant] houdt [geïntimeerde] aansprakelijk voor dat aan [werknemer] uitgekeerde schadebedrag omdat [geïntimeerde] belast was met het toezicht op en het handhaven van de veiligheid in haar bedrijf voor alle werknemers op haar werkvloer.

[werknemer] heeft zijn vordering aan [appellant] gecedeerd, zodat [appellant] in diens rechten is getreden.

4. In de conclusie van repliek/antwoord op voorwaardelijke eis in reconventie omschrijft [appellant] "het belangrijkste geschilpunt dat partijen verdeeld houdt" als volgt:

"de vraag of het stel- en bewijsregime van artikel 7A: 1638x/7:658 BW moet worden toegepast op het onderhavige ongeval."

5. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 23 januari 2001 de vordering van [appellant] - kort weergegeven - als volgt omschreven:

[geïntimeerde] is als "materiële werkgever" in de zin van artikel 7A:1638x BW (thans artikel 7:658 lid 4 BW) aansprakelijk voor schade geleden door [werknemer]....

[geïntimeerde] is tekort geschoten in de op haar rustende veiligheidsverplichtingen ten opzichte van [werknemer]. [werknemer] is een arbeidsongeval overkomen, doordat hij bij de uitoefening van zijn werkzaamheden van een ondeugdelijke ladder is gevallen, welke ladder is aangeschaft en ter beschikking gesteld door [geïntimeerde]. [appellant] stelt voorts dat deze ladder onveilig is geweest, aangezien deze van boven onvoldoende was geborgd tegen wegglijden en aan de onderzijde niet was voorzien van een stabiliteitsbalk.

6. Een vordering gebaseerd op artikel 7A:1638x (oud)BW, dan wel op 7:658 BW behoort tot de absolute competentie van de kantonrechter. De rechtbank - waar de vorderingen van [appellant] aanhangig zijn gemaakt en de exceptie van onbevoegdheid niet is voorgesteld - heeft de vorderingen van [appellant] gekwalificeerd als gegrond op voornoemde artikelen. Nu die kwalificatie van de feitelijke grondslag van de vorderingen door de rechtbank in appel niet door middel van een grief is bestreden, is het hof aan die kwalificatie gebonden (zie HR 24 april 1981, NJ 1981,494).

7. Gelet op het bepaalde in artikel 157 (oud)Rv moet derhalve worden vastgesteld dat de rechtbank in de onderhavige zaak, welke tot de absolute competentie van de kantonrechter behoorde, in hoogste ressort recht heeft gesproken. Dat brengt mede dat [appellant] niet kan worden ontvangen in haar hoger beroep en dat [geïntimeerde] niet kan worden ontvangen in haar incidenteel beroep.

De absolute competentie met betrekking tot de vordering in reconventie dient afzonderlijk te worden beoordeeld. Nu deze vordering voorwaardelijk was ingesteld en de voorwaarde waaronder deze vordering is ingesteld niet in vervulling is gegaan en - gelet op de niet ontvankelijkheid van het appel in conventie - niet meer in vervulling kan gaan, kan aan de beoordeling daarvan worden voorbij gegaan.

Slotsom:

8. Partijen zijn niet ontvankelijk in hun (incidenteel) appel . [appellant] zal de kosten in het principaal appel hebben te dragen. [geïntimeerde] zal worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel appel.

Beslissing

Het gerechtshof:

verklaart [appellant] niet ontvankelijk in haar hoger beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in het principaal appel, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 526,39 aan verschotten en op € 998,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart [geïntimeerde] niet ontvankelijk in haar incidenteel hoger beroep;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in het incidenteel appel, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op nihil;

verklaart dit arrest voor wat de kostenveroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Zuidema en Meijeringh, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 22 januari 2003.