Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2003:AF3240

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-01-2003
Datum publicatie
23-01-2003
Zaaknummer
WAHV 02-0675
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 14
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003, 248 met annotatie van O.J.D.M.L. Jansen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 02/0675

8 januari 2003

CJIB 40127890

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Venlo

van 18 oktober 2001

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Roermond niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft een afschrift van de beslissing waarvan beroep geretourneerd aan de kantonrechter, met de opmerking "kann ich nicht verstehen, bitte übersetzen". Dit afschrift is op 4 april 2002 ter griffie van de rechtbank Roermond ingekomen.

Bij brief van 4 april 2002 heeft de griffier van de rechtbank Roermond de betrokkene een in de Duitse taal gestelde toelichting op de beslissing van de kantonrechter gestuurd. De betrokkene heeft deze brief aan de rechtbank geretourneerd, voorzien van commentaar. Deze brief is op 16 april 2002 ter griffie van de rechtbank ingekomen.

Aan de betrokkene is door het CJIB op 1 mei 2002 een "betalingsoverzicht na beroep bij het kantongerecht" gezonden. Blijkens de hierop gestelde aantekeningen heeft de betrokkene dit schrijven kennelijk aan het CJIB geretourneerd. Het CJIB heeft dit geretourneerde schrijven kennelijk opgevat als een beroepschrift tegen de beslissing van de kantonrechter d.d. 16 oktober 2001 en dit doorgestuurd naar de rechtbank Roermond. De griffier van de rechtbank Roermond heeft het schrijven van de betrokkene (eveneens) opgevat als een beroepschrift tegen voornoemde beslissing van de kantonrechter en het met de bijbehorende stukken gezonden naar het hof.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft hierop gereageerd bij schrijven van 3 september 2002.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de reactie van de betrokkene. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De betrokkene heeft opnieuw gereageerd bij schrijven van 23 september 2002.

Bij brief van 4 oktober 2002 heeft de griffier van het hof de betrokkene een brief gezonden, waarin onder meer een, in de Duitse taal gestelde, zakelijke weergave van de inhoud van het verweerschrift van de advocaat-generaal is opgenomen.

De betrokkene heeft bij brief van 27 oktober 2002 gereageerd op voornoemde brief van de griffier van het hof.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge het in art. 14, eerste lid, WAHV in verbinding met de art. 6:24, 6:7 en 6:8 Awb bepaalde dient het hoger beroep te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de bestreden beslissing aan de betrokkene is toegezonden.

3.2. De bestreden beslissing is blijkens de daarop geplaatste mededeling op 18 oktober 2001 aan de betrokkene toegezonden. De betrokkene heeft eerst bij schrijven, blijkens het daarop geplaatste stempel op 4 april 2002 ter griffie van de rechtbank ontvangen, gereageerd op voormelde beslissing van de kantonrechter. Voor zover het schrijven van de betrokkene als een beroepschrift moet worden opgevat, is het niet binnen de wettelijke termijn ingediend.

3.3. Het te dezen toepasselijke art. 6:11 Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Te dezen is het volgende van belang. De betrokkene - in Duitsland woonachtig - heeft in al zijn correspondentie consequent aangegeven in de Nederlandse taal gestelde mededelingen niet te begrijpen.

Bij beslissing van 18 oktober 2001 heeft de kantonrechter de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep. De beslissing is in het Nederlands gesteld en op dezelfde datum naar de betrokkene verzonden. Aan de onderzijde van de beslissing is een mededeling opgenomen van de griffier van het kantongerecht, betrekking hebben op de wettelijke vereisten waaraan moet zijn voldaan wil een door de betrokkene op grond van de WAHV ingesteld hoger beroep ontvankelijk zijn, eveneens in het Nederlands gesteld. In zijn op 4 april 2002 ingekomen schrijven geeft de betrokkene aan dat hij niet in staat is de beslissing van de kantonrechter te begrijpen.

Op grond van het vorenoverwogene moet worden aangenomen dat de betrokkene de beslissing van de kantonrechter en de mededeling van de griffier van het kantongerecht door onbekendheid met de Nederlandse taal niet heeft begrepen.

In aanmerking nemende, dat de betrokkene, nadat hem door de griffier van de rechtbank bij brief van 4 april 2002 een in de Duitse taal gestelde toelichting op de beslissing van de kantonrechter is gestuurd, deze brief voorzien van commentaar, te weten de gronden waarop de betrokkene zich niet verantwoordelijk acht voor de opgelegde sanctie, aan de rechtbank heeft geretourneerd en dat deze brief op 16 april 2002 en derhalve binnen zes weken na de dag van verzending van de brief van 4 april 2002 ter griffie van de rechtbank is ingekomen, kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De betrokkene kan derhalve worden ontvangen in het hoger beroep.

3.4. Ingevolge art. 11, eerste lid, (oud) WAHV wordt een bij de officier van justitie ingediend beroepschrift door deze aan het kantongerecht ter kennis gebracht binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie dan wel de termijn daarvoor is verstreken.

Het derde lid van art. 11 WAHV houdt in dat:

- de zekerheid wordt gesteld bij het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden (CJIB), hetzij door middel van de aan de betrokkene

toegezonden acceptgiro, hetzij anderszins door storting op de rekening van het CJIB;

- de officier van justitie de indiener van het beroepschrift na de ontvangst ervan wijst op de verplichting tot zekerheidstelling en hem meedeelt dat de zekerheid dient te geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van deze mededeling;

- indien de zekerheidstelling niet binnen deze termijn is geschied het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.5. Een redelijke uitleg van deze wetsbepaling brengt mee dat de voorgeschreven mededeling van de officier van justitie tenminste moet inhouden dat op grond van een wettelijk voorschrift (art. 11 WAHV) zekerheid dient te worden gesteld voor de betaling van de opgelegde sanctie en dat het bedrag van de zekerheidstelling gelijk is aan het bedrag van die sanctie, en voorts de wijze waarop en de termijn waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld, alsmede dat wanneer tijdige zekerheidstelling achterwege blijft het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.6. Voorts moet op grond van de parlementaire geschiedenis van het huidige art. 11, derde lid, WAHV worden aangenomen dat ten aanzien van het vereiste van zekerheidstelling art. 6:6 Awb van toepassing is. Het beroep bij het kantongerecht kan dan ook pas niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het niet tijdig voldoen aan de verplichting om zekerheid te stellen als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV als de betrokkene in de gelegenheid is gesteld het verzuim de zekerheid te voldoen te herstellen en hem, na indiening van het beroepschrift, omtrent die verplichting dus tweemaal een mededeling is gedaan.

3.7. Bij de stukken van het geding bevinden zich de in de bestreden beslissing bedoelde mededelingen omtrent de zekerheidstelling. De in art. 6 EVRM gestelde eis van een eerlijke berechting brengt mee dat schriftelijke mededelingen van de officier van justitie, gericht aan een betrokkene van wie moet worden aangenomen dat hij de Nederlandse taal niet voldoende begrijpt en die betrekking hebben op de wettelijke vereisten waaraan moet zijn voldaan wil een door deze op grond van de WAHV ingesteld beroep op de rechter ontvankelijk zijn, moeten worden gedaan in een taal welke die betrokkene redelijkerwijs kan worden geacht te begrijpen.

3.8. Naar aanleiding van het beroepschrift heeft de officier van justitie de betrokkene op 22 augustus 2001 een in het Nederlands gestelde brief gestuurd waarin de betrokkene (opnieuw) wordt gewezen op zijn verplichting om op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling dienaangaande zekerheid te stellen. De betrokkene heeft op vorengenoemde brief gereageerd met een in het Duits gestelde, op 6 september 2001 ten parkette ingekomen brief, waarin hij schrijft dat hij het niet begrijpt. Zoals ook al hiervoor is overwogen moet aangenomen dat de betrokkene in het Nederlands gestelde mededelingen niet begrijpt. De niet-nakoming van de hiervoor onder 3.7. gestelde regel moet worden aangemerkt als een inbreuk op het recht van de betrokkene op een eerlijke berechting als bedoeld in art. 6 EVRM, zodat de brief van 22 augustus 2001 buiten beschouwing dient te blijven.

3.9. De twee zich in het dossier bevindende in het Duits gestelde brieven, te weten een brief van 24 juli 2001 en een brief van 12 september 2001 van de officier van justitie aan de betrokkene, kunnen geen van beide worden aangemerkt als een mededeling als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV. In deze brieven schrijft de officier van justitie het beroep pas aan de kantonrechter te zullen voorleggen als hij na de bestudering van de zaak niet tot vernietiging van de inleidende beschikking zou besluiten. De brieven voldoen daardoor niet aan het bepaalde in art. 11 derde lid WAHV, en wel omdat de brieven door hetgeen de officier van justitie schrijft onzekerheid oproepen met betrekking tot de noodzaak van het stellen van zekerheid.

3.10. Het voorgaande brengt mee dat het in de bestreden beslissing besloten liggend oordeel van de kantonrechter dat is voldaan aan voormeld wettelijk voorschrift niet juist is en het beroep dan ook ten onrechte op die grond niet-ontvankelijk is verklaard.

3.11. Na terugwijzing van de zaak dient de kantonrechter van de rechtbank te Roermond een nieuwe termijn te bepalen waarbinnen de betrokkene alsnog zekerheid als bedoeld in art. 11 WAHV kan stellen en daarvan moet aan de betrokkene door de griffier van de rechtbank mededeling worden gedaan met inachtneming van het hiervoor onder 3.4., 3.5. en 3.7. overwogene.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank Roermond ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier en uitgesproken ter openbare zitting.