Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AF4660

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-02-2002
Datum publicatie
18-02-2003
Zaaknummer
WAHV 02/00772
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 5
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 02/00772

12 februari 2003

CJIB 38300876

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Maastricht

van 9 april 2002

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Maastricht ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Bij brief van 11 november 2002 heeft het hof de advocaat-generaal verzocht nadere informatie in het geding te brengen.

Bij brief van 3 december 2002 heeft de advocaat-generaal aan dit verzoek voldaan.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 180,- (= Euro€ 81,68) opgelegd ter zake van "niet stoppen voor rood licht bij driekleurig verkeerslicht", welke gedraging zou zijn verricht op 31 oktober 2000 om 15.50 uur op de Euregioweg te [woonplaats]

3.2. De betrokkene ontkent de gedraging te hebben verricht. Daartoe voert de betrokkene aan, dat hij op voormeld tijdstip zich op zijn werk bevond en dat het voertuig waarmee de gedraging zou zijn verricht op voormeld tijdstip op het parkeerterrein van zijn werkgever stond. Ter staving van het voorgaande heeft de betrokkene een formulier met kloktijden overgelegd, waaruit volgens de betrokkene blijkt dat hij om 17.44 uur zijn werk heeft verlaten. Verder voert de betrokkene aan, dat de verbalisant mogelijk een letter of cijfer verkeerd heeft genoteerd of dat er nog een voertuig rondrijdt met hetzelfde kenteken als het voertuig van de betrokkene. In dat verband heeft hij aangegeven, dat in een telefoongesprek met de verbalisant deze de auto aanduidde als van het type sedan, terwijl zijn auto een stationwagen is.

3.3. In de regel mag de rechter het ervoor houden dat het motorrijtuig (met het kenteken zoals dat blijkens de stukken door de politie is waargenomen) waarmee de gedraging is verricht hetzelfde motorrijtuig is als dat waarvan het kenteken staat geregistreerd in het kentekenregister. Bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat een nader - eventueel aan de politie op te dragen - onderzoek moet worden ingesteld ter beantwoording van de vraag of bedoelde waarneming juist is en zo ja of het motorrijtuig waarmee de gedraging is verricht het juiste kenteken voerde. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn indien door de betrokkene concrete feiten en omstandigheden worden aangevoerd waaruit kan volgen dat het motorrijtuig waarmee de gedraging is verricht een ander is dan dat waarvan het kenteken ten name van de betrokkene staat geregistreerd in het kentekenregister.

3.4. De door de advocaat-generaal op verzoek van het hof ingewonnen nadere informatie geeft geen uitsluitsel omtrent de vraag of door de verbalisant een auto van het type sedan of van het type stationwagen is waargenomen. Gelet hierop en op de door de betrokkene overgelegde kloktijdenregistratie rijst zoveel twijfel aan de juistheid van de onderhavige inleidende beschikking dat niet is komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

3.5. De bestreden beslissing, de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking dienen daarom te worden vernietigd en het bedrag dat de betrokkene aan zekerheid heeft gesteld dient aan hem te worden terugbetaald.

3.6. Blijkens de gedingstukken is de betrokkene ter zitting van de kantonrechter te Heerlen verschenen. Gelet op het bepaalde in art. 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen de reiskosten die de betrokkene heeft gemaakt in verband met het bijwonen van de zitting voor vergoeding in aanmerking. Ingevolge art. 2, eerste lid, aanhef en onder c, van voormeld Besluit jo art. 6, eerste lid, onderdeel III, van het Besluit tarieven in strafzaken worden reiskosten berekend naar het tarief per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Het hof zal daarom ter zake van reiskosten (Landgraaf-Heerlen vv) aan de betrokkene een bedrag toekennen van Euro€ 2,30.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 28 april 2001, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nr. 38300876 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat een bedrag van Euro€ 81,68 door de advocaat-generaal aan de betrokkene wordt gerestitueerd, welk bedrag overeenkomt met een bedrag van f 180,- dat door hem op de voet van art. 11 WAHV tot zekerheid is gesteld;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, begroot op €Euro 2,30.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Van Dijk en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.