Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AF2199

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-12-2002
Datum publicatie
19-12-2002
Zaaknummer
WAHV 02-00724
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Besluit proceskosten bestuursrecht 1
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13b
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2003, 104 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 02-00724

4 december 2002

CJIB 35635867

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Amsterdam

van 20 februari 2002

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

voor wie als gemachtigde optreedt mr. L.C.M. Jurgens, wonende te Amsterdam.

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van betrokkene om de officier van justitie te veroordelen in de kosten afgewezen.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 WAHV (oud) kan tegen de beslissing van het kantongerecht hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan ƒ 150,--, of indien de betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt ƒ 90,--.

3.2. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat het hoger beroep niettemin ontvankelijk is. Daartoe voert hij aan dat de kantonrechter heeft gehandeld in strijd met beginselen van een behoorlijke rechtspraak, dan wel is getreden buiten het toepassingsgebied van de WAHV en/of de Awb, in het bijzonder art. 13 van de WAHV.

3.3. Uit het dossier blijkt het navolgende. Bij brief van 1 november 2001 heeft de officier van justitie aan de gemachtigde van de betrokkene medegedeeld de inleidende beschikking in deze zaak in te trekken. Daarop heeft de gemachtigde van de betrokkene met gebruikmaking van een antwoordkaart d.d. 3 november 2001 aan het arrondissementsparket laten weten, dat het beroep op de kantonrechter wordt ingetrokken en heeft hij tevens een verzoek tot vergoeding van proceskosten gedaan op de voet van art. 13b WAHV.

3.4. Bij brief van 12 november 2001 heeft de officier van justitie aan de gemachtigde van de betrokkene medegedeeld dat het verzoek om kostenvergoeding is overgedragen aan de afdeling Staats- en Strafrecht van het Ministerie van Justitie.

3.5. Voorts bevindt zich in het dossier een brief d.d. 15 januari 2002 van het arrondissementsparket te Amsterdam aan het College van Procureurs-Generaal in antwoord op een verzoek om inlichtingen, inhoudende, dat het onder 3.3. vermelde verzoek nimmer aan de kantonrechter is voorgelegd, maar aan het College is doorgestuurd. De brief vervolgt: "Gelet op het bovenstaande dient naar mijn oordeel het dossier alsnog te worden verzonden aan de kantonrechter en (het hof leest: om) aldaar inhoudelijk te worden behandeld. Echter gezien uw behandeling van het verzoek om schadevergoeding zal ik het dossier tot nadere berichten uwerzijds onder mij houden. In het geval dat u mijn zienswijze deelt zal het dossier worden verzonden aan de griffie. In het andere geval zal het dossier worden gearchiveerd." Bij brief van 23 januari 2002 gaat het Parket Generaal ermee akkoord dat het dossier alsnog naar de kantonrechter wordt verzonden om aldaar inhoudelijk te worden behandeld.

3.6. De kantonrechter heeft echter in plaats van op grond van art. 13b WAHV het verzoek tot vergoeding van proceskosten te beoordelen ten onrechte het reeds door de gemachtigde van de betrokkene ingetrokken beroep tegen de (aanvankelijke) beslissing van de officier van justitie tot onderwerp van de behandeling gemaakt. Daarmee is hij getreden buiten het toepassingsgebied van art. 13 WAHV.

3.7. Op grond van het bovenstaande dient de gemachtigde van de betrokkene te worden ontvangen in zijn hoger beroep en dient de beslissing van de kantonrechter te worden vernietigd.

3.8. Hetgeen door de betrokkene in deze zaak als zekerheid is gesteld, dient aan haar te worden terugbetaald. Blijkens het verweerschrift van de advocaat-generaal is daartoe inmiddels aan het CJIB opdracht gegeven.

3.9. Nu, - gelet op het voorgaande - , de betrokkene volledig in het gelijk wordt gesteld wordt zij niet in haar belangen geschaad, indien de zaak niet ter zitting zal worden behandeld. Het hof zal dan ook om doelmatigheidsredenen hier niet toe overgaan.

3.10. Gelet op art. 1 onder a van het van toepassing zijnde Besluit proceskosten bestuursrecht komen de kosten van de door de betrokkene ingeschakelde rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking. Die kosten zijn in het Besluit forfaitair bepaald per proceshandeling.

3.11. De gemachtigde van de betrokkene heeft in eerste aanleg de volgende proceshandelingen verricht: het instellen van administratief beroep bij de officier van justitie, het indienen van een beroepschrift tegen de (aanvankelijke) beslissing van de officier van justitie, het schrijven van een brief aan de rechtbank Amsterdam, sectie kanton, locatie Amsterdam. In hoger beroep heeft de gemachtigde van de betrokkene een hoger beroepschrift ingediend en schriftelijk gereageerd op het verweerschrift van de advocaat-generaal.

3.12. Nu de inleidende beschikking waartegen administratief beroep is ingesteld dateert van vóór de inwerkingtreding van de Wet van 24 januari 2002 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht met betrekking tot de kosten van bezwaar en administratief beroep (kosten bestuurlijke voorprocedures) (Stb. 55), komen de kosten van het administratief beroep ingevolge art IV van die wet niet voor vergoeding in aanmerking.

3.13. Blijkens de Bijlage bij het Besluit moet zowel aan het indienen van een beroepschrift in eerste aanleg als in hoger beroep 1 punt worden toegekend. De brief aan de sector kanton van de rechtbank moet naar het oordeel van het hof worden gezien als een schriftelijke uiteenzetting en de reactie op het verweerschrift van de advocaat-generaal als een repliek, zodat voor beide 0,5 punt dient te worden toegekend.

3.14. Blijkens de Bijlage bij het Besluit is de waarde per punt Euro€ 322. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe.

3.15. Gelet op het hiervoor onder 3.9. tot en met 3.14. overwogene zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van Euro 483,--

(= 3 punten x € Euro 322 x 0,5).

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

bepaalt dat een bedrag van €€Euro 40,84 door de advocaat-generaal aan de betrokkene wordt gerestitueerd, welk bedrag overeenkomt met een bedrag van f 90,-- dat door haar op de voet van art. 11 WAHV tot zekerheid is gesteld;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € Euro 483,--.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Van Dijk en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.