Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AF1706

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-12-2002
Datum publicatie
11-12-2002
Zaaknummer
BK 1/02
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr.02/01 6 december 2002

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van

X te Z tegen de uitspraken van de Inspecteur van het Bureau Heffingen te Assen van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (: de inspecteur) op de bezwaarschriften van belanghebbende tegen de aan hem over de jaren 1988 tot en met 1995 op grond van de Meststoffenwet opgelegde naheffingsaanslagen in de overschotheffing.

1 . Ontstaan en loop van het geding.

Aan belanghebbende zijn naheffingsaanslagen overschotheffing opgelegd over de jaren 1988 tot en met 1995. De in deze naheffingsaanslagen begrepen enkelvoudige belasting werd niet verhoogd.

Op de tegen die naheffingsaanslagen tijdig ingediende bezwaarschriften heeft de inspecteur op 23 november 2000 uitspraak gedaan waarbij de bezwaren werden afgewezen en de naheffingsaanslagen werden gehandhaafd.

De belanghebbende is tegen deze uitspraken in beroep geko-men door middel van een beroepschrift, dat op 2 januari 2001 ter griffie is ingekomen, en aangevuld bij brief van 31 januari 2001

Nadat de inspecteur een verweerschrift (met bijlagen) had ingediend, heeft ter zitting van 23 september 2002, gehouden te Assen, de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.

Aldaar verschenen de gemachtigde van belanghebbende mr. A bijgestaan door de zoon van belanghebbende dhr. B zomede namens de inspecteur mevr.mr. C bijgestaan door mr. D.

Ter zitting is door de inspecteur een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

Het gerechtshof heeft op 23 september 2002 mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal per aangetekende post, ter post be-zorgd op 1 oktober 2002, aan partijen is verzon-den.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

Bij brief, ingekomen op 16 oktober 2002, heeft de inspecteur verzocht voren-bedoelde uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

De inspecteur heeft op 6 november 2002 het ver-schul-dig-de griffierecht voldaan.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhan-delde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvol-doende betwist, tussen partijen vast:

2.1. De belanghebbende heeft in zijn aangiften Overschotheffing kortingen á f 0,35 berekend die de inspecteur door het opleggen van naheffingsaanslagen ongedaan heeft gemaakt.

2.2. Het gaat om de kortingen, geregeld in artikel 13, vierde lid, aanhef en onderdeel c, en het vijfde lid, van de Meststoffenwet, de artikelen 2 en 6a van de Regeling differentiatie overschotheffing II, artikel 2 van het Besluit voorwaarden afzetovereenkomsten en artikel 8 van het Besluit Mestbank en mestboekhouding.

2.3. De belanghebbende stelt aan alle voorwaarden voor het verkrijgen van de korting te hebben voldaan, zodat de naheffingsaanslagen elke grond missen en vernietigd moeten worden.

2.4. De inspecteur bepleit handhaving van de naheffingsaanslagen en bevestiging van de bestreden uitspraken.

3. Het geschil.

Te dezen is in geschil de toepassing van het gereduceerde tarief overschotheffing als bedoeld in artikel 13, vierde lid, sub c van de Meststoffenwet (oud).

4. De standpunten van partijen.

Verwezen wordt naar de gedingstukken. Partijen hebben ter zitting hun onderscheidene standpunten gehandhaafd. Door partijen werden ter voormelde zitting aan hun standpunten geen nadere gronden aangevoerd.

5. De rechtsoverwegingen.

5.1. Ingevolge artikel 13, negende lid, van de Meststoffenwet wordt de overschotheffing verschuldigd op het tijdstip waarop de mest wordt geproduceerd; zij moet op aangifte worden voldaan.

Als hetgeen op aangifte behoort te worden voldaan niet volledig is betaald kan de inspecteur op grond van artikel 20, eerste lid, van de te dezen geldende Algemene wet inzake rijksbelastingen naheffen; het derde lid van dit wetsartikel beperkt de bevoegdheid tot naheffen echter tot vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan.

5.2. In 1996, het jaar waarin alle onderwerpelijke naheffingsaanslagen zijn opgelegd, miste de inspecteur dus de bevoegdheid dat te doen met betrekking tot de overschotheffingen 1988, 1989 en 1990.

Dat belanghebbendes voormalige gemachtigde -E juristen - met de veronachtzaming van de vijfjaarstermijn zou hebben ingestemd doet daaraan niets af.

De desbetreffende naheffingsaanslagen en de uitspraken waarbij zij werden gehandhaafd moeten wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag worden vernietigd.

5.3. Voor het verkrijgen van de door belanghebbende verlangde korting is - zie de onder 2.2. vermelde bepalingen - essentiëel dat hij de volledig ingevulde en ondertekende mestafleveringensbewijzen aantoonbaar en tijdig doet toekomen aan de Stichting Landelijke Mestbank.

5.4. Omdat de belanghebbende tegenover de ontkenning door de inspecteur de juistheid van zijn bewering, dat hij aan de onder (5.3.) genoemde voorwaarden heeft voldaan, niet kan staven mist hij het recht op de korting.

Weliswaar staat vast dat hij één mestafzetovereenkomst (voor de periode van 1 maart 1990 tot 1 maart 1992) heeft ingezonden maar deze strookt niet met het op artikel 13, vierde lid, aanhef en onderdeel c, van de Meststoffenwet berustende artikel 2 van het Besluit voorwaarden afzetovereenkomsten.

Dit blijkt zonder meer bij toetsing van deze overeenkomst aan het laatstgenoemde artikel, zodat het verwijt dat de inspecteur zijn bezwaren niet nader heeft geconcretiseerd niet op zijn plaats is.

6. De slotsom

De naheffingsaanslagen overschotheffing 1988, 1989 en 1990 kunnen niet in stand blijven.

Voor het overige is het beroep ongegrond.

7. De proceskosten

Nu de bestreden uitspraken niet alle in stand blijven dient de inspecteur te worden veroordeeld tot een tegemoetkoming in de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken: 2 (beroepschrift en mondelinge behandeling) x _ 322,-- x 1 (gewicht) = _ 644,--.

8. De beslissing.

Het gerechtshof:

-vernietigt de naheffingsaanslagen over de jaren 1988, 1989 en 1990, alsmede de uitspraken waarbij zij zijn gehandhaafd;

-bevestigt de uitspraken inzake de jaren 1991, 1992, 1993, 1994 en 1995;

-verstaat dat de inspecteur de belanghebbende het griffierecht van _ 204,20 vergoedt en

-bepaalt de door de Staat der Nederlanden te betalen tegemoetkoming in belanghebbendes kosten van het beroep op _ 644,--.

Gedaan op 6 december 2002 2002 door mr. Wolt, raadsheer-plaatsvervanger, lid van de tweede enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier dhr. Gerrits en ondertekend door voornoemde raadsheer-plaatsvervanger en door voornoem-de griffier.

Op 11 december 2002 afschrift

per aangetekende post verzonden aan

beide partijen.