Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AF1705

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-12-2002
Datum publicatie
11-12-2002
Zaaknummer
BK 348/02
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 348/02 6 december 2002

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, derde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de afdeling FPO van de gemeente Bedum (hierna: het hoofd), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem gegeven waardebeschikking in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (nader: de Wet) met betrekking tot de onroerende zaak plaatselijk bekend a-straat 16 te Z (nader: de onroerende zaak).

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende werd met dagtekening 29 april 2000 de onderhavige waardebeschikking gegeven.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft het hoofd bij de bestreden uitspraak van 10 januari 2002 de beschikking gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 11 februari 2002 is ingekomen.

Nadat het hoofd zijn verweerschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 8 oktober 2002, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren belanghebbende zomede de gemachtigde van het hoofd, bijgestaan door mevrouw A.

Voor de voormelde zitting heeft belanghebbende een pleitnota (met bijlagen) ingezonden, waarvan een afschrift is gezonden aan het hoofd. De pleitnota is ter zitting met instemming van partijen geacht te zijn voorgedragen.

Het hof heeft op 22 oktober 2002 mondeling uitspraak gedaan in de zaak, van welke uitspraak proces-verbaal is opgemaakt. Dit proces-verbaal is op 25 oktober 2002 aan partijen verzonden.

Bij brief van 29 oktober 2002, ingekomen op 30 oktober 2002, heeft belanghebbende verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. Het daartoe verschuldigde griffierecht heeft belanghebbende op 14 november 2002 voldaan.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

Bij beschikking van 29 april 2001 is door het hoofd ten aanzien van belanghebbende als eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak de waarde van de woning vastgesteld. De beschikking geldt voor het tijdvak van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004. De waardepeildatum is 1 januari 1999. De inhoud van de onroerende zaak is circa 385 m3, de grondoppervlakte van het perceel 526 m2. Het bouwjaar van de onroerende zaak is circa 1974. De onroerende zaak is een geschakelde bungalow.

3. Het geschil.

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of, gelet op het gelijkheidsbeginsel, de waarde van de onroerende zaak niet op een te hoog bedrag is vastgesteld.

4. Het standpunt van belanghebbende.

Door belanghebbende is - voor zover te dezen van belang, kort samengevat - gesteld in het beroepschrift en mondeling ter zitting dat

het hoofd ten onrechte in vergelijking met de taxatiewaarden van in dezelfde straat gelegen vergelijkbare onroerende zaken de waarde van de onroerende zaak op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.

5. Het standpunt van het hoofd.

De gemachtigde van het hoofd heeft daartegenover -voor zover te dezen van belang, kort samengevat- aangevoerd in het verweerschrift en mondeling ter zitting dat de waarde niet te hoog is vastgesteld en dat ter zake van de waardevaststelling van onroerende zaken geen begunstigend beleid is gevoerd waarvan ten nadele van belanghebbende is afgeweken, noch dat in de meerderheid van de aan de onroerende zaak vergelijkbare onroerende zaken een juiste waardevaststelling achterwege zou zijn gelaten of anderszins is gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

6. De overwegingen omtrent het geschil.

6.1 Zoals blijkt uit het bepaalde in de artikelen 17 en 18, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken (: de Wet) wordt de waarde bepaald op de waarde die per 1 januari 1999 aan de onderwerpelijke onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.

6.2 Ingevolge artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken, wordt de in artikel 17, tweede lid, van de Wet bedoelde waarde voor woningen onder meer bepaald door middel van een methode van vergelijking met referentiewoningen.

6.3 De door het hoofd in de onder punt 1 vermelde beschikking aan de onroerende zaak toegekende waarde per waardepeildatum van 1 januari 1999 bedraagt € 142.486, -. Bij de bestreden uitspraak heeft het hoofd deze waarde gehandhaafd. Belanghebbende is van mening dat deze waarde van de onroerende zaak, geldend voor het onderhavige tijdvak en vergeleken met de door het hoofd vastgestelde waarden voor de objecten aan a-straat 8, 14, 18, 20, 22 en 24, op een te hoog bedrag is vastgesteld. Belanghebbende staat in zijn beroepschrift een waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum van 1 januari 1999 voor van € 130.235, - of € 133.411, -.

6.4 Het hoofd op wie, naar het oordeel van het hof, de bewijslast rust om de door hem voorgestane waarde aannemelijk te maken, verwijst naar het taxatierapport van 21 mei 2002, welke in de beroepsfase is opgemaakt door B, als taxateur verbonden aan C BV. In dit taxatierapport is de waarde van de woning per waardepeildatum van 1 januari 1999 vastgesteld op € 142.486, - (ƒ 314.000, -). De bepaling van deze waarde heeft conform artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken plaatsgevonden op basis van vergelijking met transactiesommen van referentieobjecten, die op of rond de peildatum zijn gerealiseerd. Daarbij is rekening gehouden met de verschillen tussen de objecten. Als referentieobjecten worden in voormeld rapport de volgende bungalows te Z genoemd:

Verkoopdatum Verkoopprijs Inhoud Kavelopp.vl. WOZ-waarde

a-straat 24 02-04-1999 € 152.162 425 m3 664 m2 €147.024

Achterstalling onderhoud, eenvoudige keuken en sanitair op transactiedatum

a-laan 2 01-04-1999 € 140.671 245 m3 535 m2 € 36.134

b-straat 23 02-03-1999 € 167.898 355 m3 735 m2 € 64.268

Gedateerde keuken en sanitair

6.5 Ter zitting en in zijn pleitnota stelt belanghebbende dat hij niet de hoogte van de door het hoofd vastgestelde waarde bestrijdt. Hij is slechts van mening dat het hoofd zich in de waardevaststelling van de onroerende zaak heeft vergist gelet op de vastgestelde waarden van de onroerende zaken aan a-straat 8, 14, 18, 20, 22 en 24. Naar het hof belanghebbende begrijpt, doet hij een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient belanghebbende voldoende feiten te stellen en, bij betwisting, aannemelijk te maken die, indien juist, zouden kunnen leiden tot het oordeel van het hof dat het hoofd in de waardevaststelling in dezen een begunstigend beleid heeft gevoerd waarvan hij ten nadele van belanghebbende is afgeweken of dat het hoofd in de meerderheid van de aan de onroerende zaak vergelijkbare onroerende zaken een juiste waardevaststelling achterwege heeft gelaten of anderszins in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel.

6.6 Het hof is van oordeel dat het gelijkheidsbeginsel zich niet tot de objecten aan a-straat beperkt, maar ook de in het taxatierapport vermelde referentieobjecten betreft, nu belanghebbende de vergelijkbaarheid van deze objecten aan de onroerende zaak niet bestrijdt. Het hoofd betwist ter zitting dat de door belanghebbende aangevoerde objecten aan a-straat, met uitzondering van nummer 24, vergelijkbaar zijn aan de onroerende zaak. Belanghebbende weet onvoldoende feiten te stellen, waaruit geconcludeerd kan worden dat de objecten aan a-straat 8, 14, 18, 20, en 22 vergelijkbaar zijn aan de onroerende zaak. Ook heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een begunstigend beleid van de zijde van het hoofd. Gelet op het voorgaande kan het niet anders dan dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, ongeacht of in één van de garages van de onroerende zaak additionele woonruimte aanwezig is of aan een deel van de kavel een lagere waarde toegekend moet worden.

6.7 Nu de toepassing van het gelijkheidsbeginsel slechts in geschil is, hoeft het hof niet te oordelen of het hoofd in zijn onder punt 5 vermelde bewijslast is geslaagd. Ten overvloede overweegt het hof dat gelet op het in punt 5 vermelde taxatierapport het hoofd geslaagd is in zijn bewijslast. Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht dan wel aannemelijk gemaakt, die een verlaging van de door het hoofd vastgestelde waarde rechtvaardigen.

6.8 Het vorenoverwogene brengt mee dat het beroep geen doel treft.

6.9 Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 6 december 2002 door mr. Drion , raadsheer, lid van de derde enkelvoudige belastingkamer en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde raadsheer in tegenwoordigheid van de griffier en ondertekend door voornoemde raadsheer, zijnde de griffier buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Op 11 december 2002 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.