Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AF1601

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
28-11-2002
Datum publicatie
06-12-2002
Zaaknummer
WAHV 02-00197
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 02/00197

28 november 2002

CJIB 40660077

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Amsterdam

van 20 november 2001

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [plaatsnaam]

1. De inhoud van het tussenarrest van dit hof van 16 augustus 2002 wordt hier overgenomen.

2. Het verdere procesverloop

De advocaat-generaal heeft gereageerd op het schrijven van de betrokkene van 21 juli 2002, onder toevoeging van een bijlage (een proces-verbaal van J. Kanhaisingh d.d. 28 augustus 2002).

Op verzoek van de griffier van het hof heeft de advocaat-generaal een aanvullend proces-verbaal van Kanhaisingh voornoemd d.d. 20 september 2002 in het geding gebracht.

Bij telefax van 1 oktober 2002 heeft de betrokkene op eigen initiatief gereageerd op het aanvullend proces-verbaal, alsmede verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaak.

Ter zitting van 3 oktober 2002 is de behandeling van de zaak, gelet op het schriftelijk verzoek van de betrokkene, voor onbepaalde tijd aangehouden.

Bij schrijven van 11 oktober 2002 heeft de betrokkene, daartoe in de gelegenheid gesteld, gereageerd op de door de advocaat-generaal in het geding gebracht aanvullende informatie.

De zaak is behandeld ter zitting van 14 november 2002. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen dhr. W.K. Vlietstra. De betrokkene is niet verschenen.

Na de behandeling ter zitting heeft de voorzitter de zaak ter behandeling verwezen naar de meervoudige kamer.

3. Beoordeling

3.1. De betrokkene voert onder meer aan, zakelijk weergegeven, dat de bestuurder - de directeur van de betrokkene - wegens het begaan van de gedraging staande gehouden had kunnen worden. De verbalisant bevond zich immers in de nabijheid van de auto van de betrokkene op het moment dat de bestuurder kwam aanlopen en in de auto plaats nam. De bestuurder kon niet snel wegrijden, aangezien de auto van de betrokkene is uitgerust met een dieselmotor en de motor bij het starten dient te worden voorgegloeid.

3.2. Art. 5 WAHV bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Deze bepaling moet aldus worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd. De rechter zal, indien de gedraging met toepassing van art. 5 WAHV is opgelegd, zoals in dezen het geval is, in het algemeen - dus ook zonder dat dat met zoveel woorden uit het dossier blijkt - ervan mogen uitgaan dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan. Ingeval dienaangaande een verweer wordt gevoerd, zal de rechter daarop een uitdrukkelijke beslissing dienen te geven en zal hij zonodig aan de verbalisant een nadere toelichting dienen te vragen (HR 14 maart 2000, VR 2000/148).

3.3. Bij de stukken van het geding bevinden zich twee ambtsedige processen-verbaal, opgemaakt door de verbalisant H. Kanhaisingh. Het proces-verbaal d.d. 28 augustus 2002 houdt in, voor zover hier van belang, dat de verbalisant, terwijl hij de aankondiging van beschikking uitschreef, zag dat er een man bij het motorvoertuig kwam, instapte en wegreed en dat er geen mogelijkheid was om deze persoon aan te spreken. Het proces-verbaal d.d. 20 september 2002 houdt in, voor zover hier van belang, dat de verbalisant achter het motorvoertuig stond en een aankondiging van beschikking uitschreef, dat hij om het motorvoertuig heen liep om de bestuurder staande te houden, doch dat de bestuurder al de motor van het voertuig had gestart en wegreed, zodat staandehouding niet mogelijk was.

3.4. In acht nemende de -niet weersproken - stelling van de betrokkene, dat het voertuig beschikt over een dieselmotor en dat deze motor bij het starten dient te worden voorgegloeid, zodat snel wegrijden niet mogelijk is, is gelet op de hiervoor onder 3.3. weergegeven inhoud van de door de verbalisant opgemaakte processen-verbaal niet aannemelijk geworden dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan. Art. 5 WAHV had in dit geval buiten toepassing moeten blijven. De sanctie is ten onrechte aan de kentekenhoudster opgelegd. De inleidende beschikking kan derhalve niet in stand blijven. Het hof zal doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen.

3.5. Het hof acht geen termen aanwezig een kostenveroordeling uit te spreken, nu niet gebleken is van kosten die voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 23 juni 2001, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nr. 40660077 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat een bedrag van Euro€ 63,53 door de advocaat-generaal aan de betrokkene wordt gerestitueerd, welk bedrag overeenkomt met een bedrag van f 140,-- dat door haar op de voet van art. 11 WAHV tot zekerheid is gesteld.

Dit arrest is gegeven door mrs. Van Dijk, als voorzitter, Dijkstra en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.