Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AF0710

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-05-2002
Datum publicatie
19-11-2002
Zaaknummer
BK 1025/01
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2002/44.19 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

tweede enkelvoudige belastingkamer

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

1 mei 2002

Kenmerk: BK 1025-01

Belanghebbende :X

te : Z

tegen : het hoofd van de Belastingdienst/Particulieren Leeuwarden (nader: de inspecteur)

bestreden beslissing :uitspraak op bezwaarschrift

belasting : loonbelasting

jaar : 2001

mondelinge behandeling :op 17 april 2002 te Leeuwarden door mr. Drion, raadsheer, in tegenwoordigheid van dhr.Gerrits als griffier

verschenen : de gemachtigde van belanghebbende met mw.mr.A ter bijstand, alsmede de inspecteur

geschilpunt : de hoogte van de besparing met betrekking tot de ter beschikking gestelde ambtswoning, alsmede de vraag of er sprake is van een aanmerkelijk verschil tussen de huurwaarde in het economische verkeer van de ambtswoning en het bedrag van de besparing.

Beslissing:

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

1. Feiten:

1.1. Belanghebbende, geboren in 1941 en in het onderhavige jaar ongehuwd en alleenwonend, is burgemeester van de gemeente L.

1.2 In het jaar 2000 genoot belanghebbende als burgemeester een salaris van f.141.813,-- alsmede nabestaandenpensioen en lijfrente-/pensioenuitkeringen tot een bedrag van f.59.282,--. Haar totaalinkomen bedroeg aldus f.201.095,--.

1.3 Aan belanghebbende is een ambtswoning ter beschikking gesteld waarin zij daadwerkelijk woont.

1.4 Als vergoeding voor het gebruik van de ambtswoning wordt ingaande 1 januari 2001 maandelijks 12% van het salaris, ofwel f.1.375,56, op haar bezoldiging ingehouden.

1.5 De huurwaarde in het economische verkeer van de ambtswoning bedraagt ingaande 1 januari 2001 f.1.648,70 per maand.

1.6 Op 1 februari 2001 is namens belanghebbende aan de inspecteur een verzoek gericht om bij beschikking, als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 (nader: de Uitvoeringsregeling 1990), het bedrag van de besparing als bedoeld in artikel 13, eerste lid, (oude tekst) van de Wet op de loonbelasting 1964 (nader: de Wet) op nihil te stellen.

1.7 De inspecteur heeft bij beschikking van 10 augustus 2001, gegrond op het bepaalde in artikel 17 van de Wet (tekst 2001) juncto artikel 33, lid 2 en lid 3, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001(nader: de Uitvoeringsregeling 2001), geweigerd de besparing op nihil te stellen.

1.8 Op het tijdig ingediende bezwaarschrift heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak volhard in dit standpunt en voorts geweigerd de besparing vast te stellen op maximaal f.1.000,--.

2. Geschil:

In geschil is thans het antwoord op de vraag of het bedrag van de besparing wegens het genot van de ambtswoning aanmerkelijk lager is dan de huurwaarde in het economische verkeer van deze woning.

3. Rechtsoverwegingen:

3.1. Nu het verzoek namens belanghebbende is gedaan op 1 februari 2001 zijn de wettelijke bepalingen zoals zij voor het jaar 2001 luiden van toepassing.

3.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 17, lid 1, sub b, van de Wet zijn vrije verstrekkingen de verstrekkingen voorzover zij naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren. Ingevolge lid 2 van dit artikel is artikel 15c van de Wet van overeenkomstige toepassing, hetwelk mede uitwerking heeft gevonden in artikel 23, lid 2, en artikel 33, lid 2 en lid 3, van de Uitvoeringsregeling 2001.

3.3 Namens belanghebbende is gesteld dat zij, in haar situatie van alleenwonende, voor het geval zij niet in een ambtswoning zou zijn gehuisvest, met een kleinere woning, zoals door de woningbouwvereniging B verhuurd, genoegen zou nemen. De inspecteur bestrijdt deze stelling, er op wijzend dat het onaannemelijk is dat de burgemeester van een gemeente een huurwoning van de woningbouwvereniging zou betrekken, daar die woningen veeleer tot de sociale sector behoren.

3.4 Het hof is, met de inspecteur, van oordeel dat huisvesting van een burgemeester in een tot de sociale sector behorende woning niet aannemelijk is. Huisvesting, voor zover daarin wordt voorzien door huur van een woning, zal in de particuliere sector plaatsvinden. Dat voor zodanige huisvesting benodigde huurwoningen niet ruim voorradig zijn kan in het onderhavige geval buiten beschouwing worden gelaten, nu belanghebbende in 2001 reeds een geruim aantal jaren burgemeester van L was, in elk geval, naar ter zitting onweersproken werd gesteld, tenminste sinds 1997, zodat aangenomen moet worden dat zij bij het begin van 2001 inmiddels in woonruimte had kunnen voorzien.

3.5 De besparing van belanghebbende op de huisvestingskosten kan derhalve niet worden afgemeten aan de huur van een huurwoning van de woningbouwvereniging.

3.6 Voorts heeft de inspecteur gesteld, hetwelk namens belanghebbende niet of onvoldoende is weersproken, dat huur van een woning in de particuliere sector niet aanmerkelijk zal verschillen van de huurwaarde in het economische verkeer van de ambtswoning. Voor dat geval bestaat er tussen de besparingswaarde en de huurwaarde in het economische verkeer van de ambtswoning geen verschil.

3.7 Naar 's hofs inschatting bedraagt de huur van een woning in de particuliere sector, gelet op de maximale huur die door de woningbouwvereniging wordt berekend en op het hiervoor door de inspecteur gestelde, echter tenminste een bedrag gelijk aan de inhouding op belanghebbendes salaris. De besparingswaarde is derhalve minimaal te stellen op f.1.375,56.

3.8 Bij de minimale besparingswaarde ad f.1.375,56 bedraagt het verschil tussen de besparingswaarde en de huurwaarde van de ambtswoning in het economische verkeer 19,86%. Daarmee is naar 's hofs oordeel het bedrag van de besparing niet aanmerkelijk lager dan de waarde in het economische verkeer van het genot van de ambtswoning, gelijk bedoeld in artikel 33, lid 3, van de Uitvoeringsregeling 2001.

3.9 De inspecteur heeft derhalve op goede gronden geweigerd een beschikking als bedoeld in artikel 33, lid 2, van de Uitvoeringsregeling 2001 te geven. Het beroep is mitsdien ongegrond.

3.10 Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

Aldus vastgesteld en in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden op 1 mei 2002 door mr. Drion, raadsheer, plaatsvervangend lid van de tweede enkelvoudige belastingkamer in tegenwoordigheid van de griffier de heer Gerrits en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier lid van deze kamer

J.M. Gerrits mr. F.J.W. Drion

Afschrift per aangetekende post

aan partijen verzonden op: 15 mei 2002

De griffier van het gerechtshof te Leeuwarden