Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE9439

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
26-08-2002
Datum publicatie
30-10-2002
Zaaknummer
24-000954-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2003, 22
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000954-01

Arrest d.d. 26 augustus 2002 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

verschenen in persoon.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden.

Het hof neemt ten deze in aanmerking dat bij arrest van de Hoge Raad der Nederlanden d.d. 30 oktober 2001 met vernietiging van een vonnis van de arrondissementsrechtbank te Groningen d.d. 14 oktober 1999 tegen verdachte, in hoger beroep van een vonnis van de kantonrechter te Zuidbroek d.d. 12 mei 1999 in de onderhavige zaak gewezen, deze zaak naar dit hof werd verwezen, teneinde, met inachtneming van voormeld arrest van de Hoge Raad der Nederlanden, op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

Het hof heeft gelet op het onderzoek ter terechtzitting van het hof d.d. 26 augustus 2002 en op het onderzoek in eerste aanleg als voorgeschreven bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging.

Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding, waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Het hof heeft ter terechtzitting op de vordering van de advocaat-generaal de tenlastelegging gewijzigd overeenkomstig die vordering, waarvan een fotokopie aan dit arrest is gehecht.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte aangevoerd dat hij ten onrechte is veroordeeld voor de op 5 oktober 1998 te Veendam geconstateerde overtreding, aangezien deze niet door hem is begaan. Het oorspronkelijk in de tenlastelegging genoemde kenteken [kentekennummer 1] (de auto waarmee de snelheidsovertreding begaan zou zijn), stond niet op zijn naam.

Naar verdachte stelt heeft hij zulks ook aan het Openbaar Ministerie te Groningen medegedeeld.

Verdachte stelt voorts dat hij gelet op het in de tenlastelegging vermelde kenteken steeds in de veronderstelling verkeerde dat de dagvaarding niet op hem betrekking kon hebben. Nu de tenlastelegging na wijziging eerst per heden, 26 augustus 2002, een ander kenteken vermeldt, te weten het op naam van verdachte gestelde en in het proces-verbaal opgenomen kenteken [kentekennummer 2], kan van hem niet meer worden verlangd dat hij bijna vier jaren na dato alsnog duidelijkheid verschaft omtrent de persoon die ten tijde van de overtreding het voertuig bestuurde. Verdachte acht zich door dit tijdsverloop wezenlijk in de hem toekomende processuele belangen geschaad.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende:

Verdachte heeft niet binnen de daarvoor gestelde termijn gebruik gemaakt van de mogelijkheden van artikel 181, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Deze mogelijkheden om de werkelijke bestuurder ten tijde van de overtreding aan te wijzen had verdachte op zijn laatst in eerste aanleg kunnen benutten (HR 12 oktober 1999, VR 1999,202).

Het hof is echter van oordeel dat in het onderhavige geval niet van verdachte kon worden gevergd tijdig gebruik te maken van de door artikel 181, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 geboden mogelijkheden, aangezien de inhoud van de tenlastelegging eerst heden perfect geworden is op het essentiële punt van het kenteken waarop destijds is geverbaliseerd. Om verdachte deze mogelijkheden niet te ontnemen zou hij na de wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep, inhoudende dat het kenteken [kentekennummer 1] is veranderd in [kentekennummer 2], analoog aan de ratio van het vorenomschreven wettelijke stelsel met bijbehorende jurisprudentie, alsnog gelegenheid dienen te krijgen hiervan gebruik te maken. Inmiddels zijn echter reeds bijna vier jaren verstreken sinds de snelheidsovertreding in kwestie. Verdachte heeft verklaard thans niet meer in staat te zijn te bewijzen wie ten tijde van de snelheidsovertreding in zijn voertuig gereden heeft. Bij deze stand van zaken is verdachte dermate in zijn verdedigingsmogelijkheden geschaad dat naar het oordeel van het hof de beginselen van een behoorlijke procesorde zodanig zijn geschonden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.

De uitspraak.

HET HOF,

RECHTDOENDE OP HET HOGER BEROEP na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging.

Dit arrest is aldus gewezen door mrs. Hermans, voorzitter, Weenink en Pennink, in tegenwoordigheid van mr. Welbergen als griffier, zijnde mr. Pennink voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.