Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE9306

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-09-2002
Datum publicatie
24-10-2002
Zaaknummer
WAHV 02-00102
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Kentekenreglement 26
Kentekenreglement 40
Wegenverkeerswet 1994 1
Wegenverkeerswet 1994 72
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2003, 37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 02/00102

25 september 2002

CJIB 39404141

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Utrecht

van 18 januari 2002

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 180,- (= Euro € 81,68) opgelegd ter zake van "voor het motorrijtuig van 3500 KG of minder heeft het keuringsbewijs zijn geldigheid verloren", welke gedraging zou zijn verricht op 21 januari 2001 op de Spoorlaan te Woerden met het voertuig met het kenteken TS-58-ZP.

3.2. Niet in geschil is dat ten tijde van de gedraging voormeld voertuig niet gekeurd was en dat voormeld kenteken op naam van de betrokkene in het kentekenregister was ingeschreven.

3.3. Het beroep strekt ten betoge dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden het opleggen van een sanctie niet billijken dan wel dat deze aanleiding geven om een lager bedrag van de sanctie vast te stellen. Daartoe voert de betrokkene het volgende aan. Het betrokken voertuig is vanaf 1 september 2000 niet meer in het bezit van de betrokkene. De nieuwe eigenaar heeft het kenteken van de auto niet op zijn naam in het kentekenregister laten registreren. Bij beslissing van 7 februari 2001 heeft de RDW met ingang van 6 februari 2001 de tenaamstelling van het voertuig vervallen verklaard. In de beslissing op bezwaar heeft de RDW overwogen dat de tenaamstelling niet met terugwerkende kracht kan vervallen en dat daaruit voor de betrokkene geen nadeel behoeft voort te vloeien. Met dit laatste aspect van de uitspraak van de RDW is naar het oordeel van de betrokkene geen rekening gehouden, nu de opgelegde sanctie van ƒ 180,-- wel degelijk een nadeel betekent voor de betrokkene.

3.4. De zinsnede waarop de betrokkene zich beroept in de door hem overgelegde beslissing op bezwaar van de RDW van 4 april 2001 dient in het licht van de toelichting op die beslissing als volgt te worden verstaan. De RDW heeft bij de beslissing om niet met terugwerkende kracht de tenaamstelling van het betreffende voertuig te wijzigen tegen elkaar afgewogen enerzijds:

dat artikel 40 van het Kentekenreglement in beginsel geen ruimte biedt voor een werking met terugwerkende kracht, - omdat daarmede rechtsonzekerheid zou worden geschapen ten aanzien van de registratie en tenaamstelling van het voertuig - en anderzijds:

dat uit het niet toekennen van terugwerkende kracht geen onherroepelijk nadeel voor de betrokkene kan ontstaan, omdat op andere instanties, - zoals Het Centraal Bureau Motorrijtuigenbelasting en Justitie -, door de betrokkene een beroep kan worden gedaan om te beoordelen of nadelige gevolgen, die zijn ontstaan doordat bij de overgang van de eigendom van de auto de tenaamstelling niet is gewijzigd al dan niet voor rekening van de betrokkene dienen te komen.

3.5. Voor zover de betrokkene meent, dat de uitspraak van de RDW inhoudt, dat de kantonrechter bij de beoordeling van het door de betrokkene ingestelde beroep tegen de beslissing van de officier van justitie en in het verlengde daarvan het hof bij de beoordeling van de beslissing van de kantonrechter gebonden zouden zijn aan de voorwaarde, dat hij geen nadeel ondervindt van de omstandigheid, dat de tenaamstelling niet op een eerder tijdstip is gewijzigd, gaat hij derhalve uit van een onjuiste lezing van de uitspraak van de RDW.

3.6. Art. 72, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW1994) stelt wanneer het keuringsbewijs zijn geldigheid heeft verloren onder meer de eigenaar of houder aansprakelijk voor de overtreding. Art. 1, derde lid, WVW1994 luidt: "Degene aan wie een kenteken is opgegeven voor een motorrijtuig of een aanhangwagen wordt, tenzij anders blijkt, voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet beschouwd als eigenaar of houder van dat motorrijtuig of die aanhangwagen."

3.7. Doordat de beslissing van de RDW op bezwaar d.d. 4 april 2001 formele rechtskracht heeft verkregen staat vast, dat de betrokkene degene is aan wie ten tijde van de gedraging het kenteken was opgegeven. Derhalve is hij als eigenaar of houder aansprakelijk voor de gedraging vermeld in overweging 3.1., tenzij anders zou blijken.

3.8. In de systematiek van het Kentekenreglement (KR) is bij verkoop van een motorrijtuig niet de overdracht van de eigendom van het voertuig bepalend voor het vervallen van de tenaamstelling voor de verkoper, maar het afgegeven zijn van een nieuw deel II en van een vrijwaringsbewijs.

3.9. Degene die bij de verkoop van zijn auto aan een particulier conform art. 26 KR de overdracht regelt, kan dan ook zeker stellen dat een wijziging van de tenaamstelling is doorgevoerd, - althans dat hij van een onjuiste tenaamstelling niet de dupe behoeft te worden -, door de beschikking over het voertuig niet aan de koper af te geven voordat hij door deze in het bezit is gesteld van een vrijwaringsbewijs.

3.10. De betrokkene beschikt kennelijk niet over een vrijwaringsbewijs. Wel beschikt hij over het (oude) deel II en de kopie deel III, die, indien hij de koper conform art. 26 KR in de gelegenheid had willen stellen de auto op zijn naam over te schrijven, aan deze ingevolge art. 26 lid 1 onder a juncto art. 58 KR had moeten afgeven, teneinde deze in de gelegenheid te stellen de auto op zijn naam te laten overschrijven. Hij beschikt kennelijk evenmin over deel I van het kentekenbewijs, dat hij ingevolge art. 26 KR verplicht was onder zich te houden tot hij van de koper een vrijwaringsbewijs zou hebben gekregen.

3.11. Uit het dossier kan ook niet volgen dat hij, - indien juist is, dat hij reeds op 1 september 2000 de auto niet meer in zijn bezit had -, toen onmiddellijk stappen heeft ondernomen teneinde de vermelding in het kentekenregister in overeenstemming te laten brengen met de werkelijkheid.

3.12. Op grond van het bovenstaande is de betrokkene, nu niet "anders blijkt" als bedoeld in het derde lid van art 72 WVW1994, terecht als eigenaar of houder beschouwd van de personenauto ten tijde van de gedraging. Naar de overtuiging van het hof is dan ook komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Niet is gebleken van omstandigheden die het opleggen van een sanctie niet billijken of die tot matiging van de opgelegde sanctie dienen te leiden.

3.13. Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beslissing bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Huisman en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.