Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE8621

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-09-2002
Datum publicatie
10-10-2002
Zaaknummer
BK 561/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2004:AI0733
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2004:AI0733
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-1986
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 561/01 23 september 2002

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van de heer X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Grote Ondernemingen van de belastingdienst te Groningen, onderdeel Team Energiepremies Emmen, (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de beschikking van de inspecteur inzake de toekenning van energiepremie.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Op 4 april 2001 heeft de inspecteur bij beschikking op het verzoek van de belanghebbende om een nader oordeel over toekenning van energiepremie negatief beslist. De belanghebbende heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt. Op het ingediende bezwaar van de belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 26 juni 2001 zijn beslissing van 4 april 2001 gehandhaafd.

1.2 De belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlage), hetwelk op 7 augustus 2001 is ingekomen. Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) op 26 oktober 2001 heeft ingezonden, heeft de belanghebbende op 29 mei 2002 een aanvulling op het beroepschrift ingediend, waarvan een afschrift is gezonden aan de inspecteur.

1.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 18 juni 2002, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de belanghebbende, vergezeld door zijn echtgenote, en namens de inspecteur de heer A, bijgestaan door een mevrouw B.

1.4 Het hof heeft in deze zaak op 2 juli 2002 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 15 juli 2002, aan partijen is verzonden.

Bij schrijven ingekomen op 5 augustus 2002 heeft de inspecteur op de wijze als bedoeld in artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen verzocht vorenbedoelde uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De griffier heeft de inspecteur gewezen op het verschuldigde griffierecht ad € 142, - en de inspecteur heeft vervolgens op 20 augustus 2002 dat griffierecht voldaan.

Van alle vermelde (en hierna nog te vermelden) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Voor dit geding kan, als enerzijds gesteld en anderzijds niet dan wel onvoldoende weersproken, worden uitgegaan van de volgende feiten:

2.1 De belanghebbende verstrekte in januari 2000, naar hij stelt en staaft met orderbevestigingen en facturen, opdrachten tot het uitvoeren van energiebesparende maatregelen aan V.O.F. C, D en E.

2.2 De gedingstukken geven van de periodes in 2000 waarin de werkzaamheden zijn verricht en van de tijdstippen waarop de facturen zijn betaald het volgende beeld:

bedrijf werkzaamheden/facturen betaaldatum

E week 1 18 januari

idem week 2 18 januari

idem week 3 2 februari

idem week 4 6 maart

idem weken 5 en 7 5 april

D factuur 7/3 22 maart

idem factuur 7/3 22 maart

E factuur 17/3 5 april

C factuur 25/4 11 mei

idem factuur 22/5 9 juni

idem factuur 5/6 28 juni

idem factuur 26/6 5 juli

idem factuur 26/7 28 augustus

2.3 Op 13 november 2000 ontving het Energiebedrijf F te L belanghebbendes verzoek om toekenning van een energiepremie als bedoeld in artikel 36p, tweede lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag (de Wet).

F heeft alleen een premie (groot ¦ 448,-) toegekend voor de energiebesparende voorzieningen, getroffen door C.

Haar motivering was dat ten tijde van de indiening van de aanvraag sinds de laatste betalingen aan E en D meer dan dertien weken waren verstreken, de termijn waarbinnen ingevolge artikel 8n, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag het verzoek moet worden gedaan.

2.4 Bij zijn beschikking van 4 april 2001 heeft de inspecteur de beslissing van het energiebedrijf bevestigd, en bij de thans bestreden uitspraak op belanghebbendes daartegen gerichte bezwaarschrift heeft hij deze beschikking gehandhaafd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 Partijen houdt het antwoord op de vraag verdeeld of de belanghebbende binnen de termijn van dertien weken zijn verzoek om toekenning van de energiepremie heeft ingediend bij de F.

3.2 De belanghebbende voert aan dat hij in de veronderstelling verkeerde en nog verkeert dat de termijn van dertien weken begint als de energiebesparende voorzieningen zijn voltooid en betaald, en niet telkens wanneer een van de uitvoerende ondernemers zijn aandeel daarin heeft geleverd. Hij verzoekt om toekenning van de aangevraagde premie van ¦ 9.865,20.

3.3 De inspecteur handhaaft zijn standpunt dat de premie tot ¦ 448,- beperkt moet blijven.

Indien het gelijk aan de belanghebbende mocht zijn stemt de inspecteur in met toekenning van een premie van ¦ 9.865,20.

Partijen hebben ter zitting hun onderscheidene standpunten gehandhaafd, zonder daartoe overigens nadere gronden te hebben aangevoerd.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Ingevolge artikel 8n, tweede lid, van de Regeling, die uitvoering geeft aan onder meer artikel 36p, zesde lid, van de Wet, wordt het verzoek om toekenning van een energiepremie gedaan nadat de voorziening is aangebracht, doch ten hoogste dertien weken na aanschaf van de voorziening.

Uit onderdeel 2.4.7, tweede alinea, van het Besluit van 30 december 1999, nr. VB99/2653 M, van de Staatssecretaris van Financiën (bijlage 11 bij het verweerschrift) blijkt dat de reden waarom het verzoek pas kan worden ingediend nadat de voorziening is aangebracht is gelegen in de controle op een juiste toepassing van de regeling.

In artikel 1 van de Regeling Energiepremie (onder 2) wordt het begrip aanschaf verduidelijkt: de kosten moeten zijn betaald en de voorziening moet zijn aangebracht en in gebruik genomen.

4.2 Terwijl E in januari 2000 met de isolatiewerkzaamheden is begonnen hebben C en D op achtereenvolgens 31 januari en 3 februari 2000 orderbevestigingen afgegeven betreffende werkzaamheden die eveneens isolatie omvat-ten.

Naar het hof uit de beschikbare facturen opmaakt leverde E zijn bijdrage aan de energiebesparende maatregelen in januari/februari/maart 2000, het D in februari/maart 2000 en C in april/mei/juni/juli 2000.

4.3 Naar het oordeel van het hof strookt de opvatting van de inspecteur, dat in dit geval door drie aannemers drie voorzieningen tot stand zijn gebracht ten aanzien waarvan telkens afzonderlijk moet worden beoordeeld of een energiepremie kan worden toegekend, niet met de onder 4.1 weergegeven opzet van de regelgeving.

Daarin staan immers niet de aannemers maar de voorzieningen centraal; de premie wordt niet eerder toegekend dan wanneer aard en kwaliteit van de voorzieningen kunnen worden beoordeeld.

Die beoordeling was eerst mogelijk toen, na E en D, C de isolatiewerkzaamheden had afgerond.

4.4 Het hof ziet geen reden om - zoals de inspecteur verdedigt - onderscheid te maken tussen gevallen waarin één aannemer voor het aanbrengen van alle voorzieningen verantwoordelijk is en die waarin de belanghebbende zelf de regie in handen houdt.

4.5 Het gelijk is derhalve aan de belanghebbende; de energiepremie kan tot het gevraagde bedrag worden verleend.

5. De proceskosten

Nu de bestreden uitspraak niet in stand blijft, dient de inspecteur te worden veroordeeld tot een tegemoetkoming in de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken:

€ 14,-- aan reiskosten.

6. De beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- stelt de energiepremie vast op ¦ 9.865,20;

- verstaat dat de inspecteur de belanghebbende het griffierecht van € 27,23 vergoedt; en

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden een tegemoetkoming in belanghebbendes kosten van het beroep zal betalen van € 14, -

Gedaan op 23 september 2002 door mr. Fransen, voorzitter en raadsheer, mr. Drion, raadsheer en mr. Wolt, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. De Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 4 oktober 2002 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.