Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE8610

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-09-2002
Datum publicatie
10-10-2002
Zaaknummer
BK 361/01
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2002/50.2.1
V-N 2003/5.1.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 361/01 18 september 2002

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van

X te Z (: de belanghebbende)

tegen de uitspraak van

het hoofd van de Belastingdienst/Grote ondernemingen Groningen (: de inspecteur),

gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aan-slag Inkomstenbelasting /Premie Volksverzekeringen 1997.

1. Het procesverloop en de feiten

1.1. Op 11 juni 1999 heeft belanghebbende aangifte inkomstenbelasting voor het jaar 1997 gedaan.

1.2. Op 10 februari 2000 heeft de inspecteur in het kader van de aanslagregeling belanghebbende een vragenbrief gestuurd betreffende het ontstaan, de zakelijkheid en de reden van de afboeking van de debiteuren A en B.

1.3. Op 23 februari 2000 antwoordt belanghebbende dat het afboekingen van geldleningen en niet-betaalde huurvorderingen betreft.

1.4. Op 20 september 2000 heeft de inspecteur belanghebbende wederom een vragenbrief gestuurd ter zake van de verhuur van panden aan de genoemde vennootschappen, het ontbreken van de vorderingen in de aangiften over voorgaande jaren en vraagt hij de onderliggende schriftelijke contracten op.

Hierop wordt door belanghebbende niet gereageerd.

1.5. Op 6 december 2000 stuurt de inspecteur aan belanghebbende een brief waarin wordt aangegeven dat de door belanghebbende gepleegde afboekingen van genoemde debiteuren door de inspecteur is gecorrigeerd, aangezien de gevraagde informatie door belanghebbende niet is verstrekt.

1.6. De aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997 is op 9 januari 2001 opgelegd. De inspecteur heeft de afboeking van genoemde debiteuren gecorrigeerd.

1.7. Op 22 januari 2001 ontvangt de inspecteur een bezwaarschrift van belanghebbende, waarin het volgend wordt vermeldt:

"Ingesloten zenden wij u een copie van bovengenoemde aanslag, en een copie van de aanslag van 1998. Hiertegen maken wij bezwaar, aangezien de aangifte anders luidt en deze juist is."

1.8. Bij brief van 25 januari 2001 verzoekt de inspecteur belanghebbende zijn bezwaarschrift te motiveren. Omdat door belanghebbende niet aan dit verzoek werd voldaan, heeft de inspecteur bij brief van 12 maart 2001 belanghebbende nogmaals verzocht binnen twee weken een motivering van het bezwaar in te zenden. Tevens is belanghebbende er toen op gewezen dat hij bij verzuim niet-ontvankelijk kan worden verklaard in zijn bezwaar.

1.9. Aan de verzoeken van de inspecteur om motivering heeft belanghebbende niet voldaan.

1.10. Bij uitspraak van 3 april 2001 verklaart de inspecteur belanghebbende vervolgens niet-ontvankelijk in zijn bezwaar, omdat hij zijn bezwaarschrift niet heeft gemotiveerd.

1.11. Van deze uitspraak is de belanghebbende bij een op 11 mei 2001 bij het hof binnengekomen beroepschrift in beroep gekomen.

1.12. Van de belanghebbende is op 6 juni 2002 een brief met een bijlage bij het hof binnengekomen.

1.13. Van de inspecteur is op 20 december 2001 een verweerschrift met bijlagen bij het hof binnengekomen.

1.14. De belanghebbende is in de gelegenheid gesteld te reageren op het verweerschrift van de inspecteur door middel van een conclusie van repliek. Deze conclusie is bij faxbericht van 12 februari 2002 bij het hof binnengekomen.

1.15. Op 25 april 2002 is van de inspecteur een conclusie van dupliek bij het hof binnengekomen.

1.16. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 juni 2002, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de belanghebbende en de inspecteur.

1.17. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Het geschil en de standpunten van partijen.

2.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de belanghebbende ontvankelijk is in zijn bezwaar en zo ja, of het belastbare inkomen door de inspecteur juist is vastgesteld.

2.2. Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag bevestigend en de inspecteur ontkennend. Belanghebbende meent dat het belastbare inkomen overeenkomstig de aangifte dient te worden vastgesteld. De inspecteur acht de door hem aangebrachte correcties juist.

2.3. Voor de overige standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken.

3. De overwegingen omtrent het geschil.

3.1. Op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht kan een bezwaarschrift niet ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan onder meer de in artikel 6:5, lid 1, onder d. van die wet geformuleerde voorwaarde dat het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar moet bevatten, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gesteld termijn.

3.2. Nu belanghebbende, ondanks dat hij tot twee keer toe door de inspecteur in de gelegenheid is gesteld het bezwaarschrift te motiveren, niet de gronden van het bezwaar heeft aangevoerd, heeft de inspecteur naar het oordeel van het hof belanghebbende terecht niet ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar, temeer nu belanghebbende in de fase van de aanslagregeling evenmin heeft voldaan aan het verzoek van de inspecteur in de brief van 20 december 2000 om nadere inlichtingen te geven en stukken - ten aanzien waarvan de raadpleging naar het oordeel van het hof van belang kan zijn voor vaststelling van feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien - te overleggen. Met het door belanghebbende in zijn bezwaarschrift gestelde - dat hij "bezwaar maakt, aangezien de aangifte anders luidt en deze juist is" - heeft hij onder de gegeven omstandigheden niet aan de onder 3.1. vermelde voorwaarde voldaan.

3.3. Het gelijk ligt aan de kant van de inspecteur. Aan de

inhoudelijke kant van de zaak komt het hof derhalve niet toe.

4. De proceskosten.

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. De beslissing.

Het hof:

verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 18 september 2002 door mr Pruiksma , vice-president, voorzitter, mrs Huiskes en Fransen, raadsheren, en op die dag in het openbaar uitgesproken door die voorzitter, in tegenwoordigheid van de heer Haarsma als griffier en ondertekend door de voorzitter en de griffier.

De griffier, De voorzitter,

M.Haarsma mr H.S. Pruiksma

Afschrift per aangetekende post

aan partijen verzonden op: 2 oktober 2002