Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE8143

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-09-2002
Datum publicatie
27-09-2002
Zaaknummer
WAHV 02-00631
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 02/00631

18 september 2002

CJIB 45801500

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Utrecht

van 20 juni 2002

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. De kantonrechter heeft, uitgaande van zijn vaststelling dat de betrokkene niet binnen de in art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en dat de betrokkene evenmin binnen een nader gestelde termijn dit verzuim heeft hersteld, het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard.

3.2. Ingevolge art. 11 WAHV, derde lid, heeft de officier van justitie de betrokkene bij brief d.d. 21 maart 2002 en bij brief d.d. 8 mei 2002 in de gelegenheid gesteld om het bedrag aan zekerheid binnen twee weken na verzending van de brief te betalen.

3.3. De betrokkene stelt, dat zij nadat zij de zekerheidsbrief d.d. 8 mei 2002 had ontvangen het te betalen bedrag aan zekerheid heeft overgemaakt en dat het bedrag op 27 mei 2002 van haar rekening is afgeschreven. Het bedrag had weliswaar op 22 mei 2002 overgemaakt moeten zijn, maar de onderhavige omstandigheden brengen mee dat zij niet in verzuim is, nu 8 mei 2002 de woensdag was voorafgaand aan het hemelvaartweekend en het het weekend daarop pinksterweekend was, waardoor de verwerking van de post mogelijk anders was dan in een periode zonder feestdagen, waardoor zij - gelet op voorafgaande - slechts drie werkdagen te laat het bedrag heeft overgemaakt.

3.4. Nu volgens de betrokkene het bedrag aan zekerheid op 27 mei 2002 is overgemaakt en ingevolge art. 11, derde lid, WAHV de zekerheid uiterlijk gesteld had moeten zijn op 22 mei 2002, is de zekerheid te laat gesteld.

3.5. Noch in de tekst van de wet, noch in de wetsgeschiedenis zijn aanknopingspunten te vinden voor de stelling dat de termijn van twee weken, waarbinnen de zekerheid gesteld dient te zijn, verlengd moet worden als binnen die termijn feestdagen vallen. Ook al zou het vorenoverwogene anders zijn, dan zou dit de betrokkene nog niet hebben kunnen baten, nu de betrokkene - zoals de betrokkene zelf ook in haar beroepschrift vermeldt - ook als de termijn verlengd zou worden met het aantal feestdagen te laat het bedrag heeft overgemaakt. Naar het oordeel van het hof is niet sprake van omstandigheden, waardoor de betrokkene redelijkerwijs niet in verzuim is geweest.

3.6. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Huisman, in tegenwoordigheid van mr. Bennen als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.