Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE8128

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-09-2002
Datum publicatie
26-09-2002
Zaaknummer
WAHV 02-00580
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Voertuigreglement 4.6.
Voertuigreglement 4.7.
Wegenverkeerswet 1994 72
Wegenverkeerswet 1994 73
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2003, 67
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 02/00580

18 september 2002

CJIB 36304212

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage

van 17 april 2002

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 180,-- (Euro€ 81,68) opgelegd ter zake van "voor het motorrijtuig van 3500 kg of minder heeft het keuringsbewijs zijn geldigheid verloren", welke gedraging zou zijn verricht op 16 augustus 2000 op de Rijksweg A-20 te Moordrecht.

3.2. De betrokkene ontkent niet de gedraging te hebben verricht. Hij stelt echter dat de beschikking zou moeten worden vernietigd, omdat een maand eerder ter zake van dezelfde gedraging een sanctie is opgelegd en omdat het betreffende voertuig kort na de datum van de in augustus opgelegde sanctie niet meer bij hem in gebruik was.

3.3. Ten aanzien van de in de vorige overweging genoemde gegevens heeft de betrokkene bewijsstukken overgelegd. Het hof gaat dan ook uit van de juistheid van de door de betrokkene gestelde gegevens, te weten, dat hij op 6 juli 2000 is staande gehouden ter zake van een soortgelijke gedraging en dat hem bij een beschikking daarvoor een sanctie is opgelegd, en dat hij op 28 oktober 2000 het niet-APK-gekeurde motorvoertuig heeft verkocht.

3.4. Een en ander kan de betrokkene echter niet baten.

Art. 72, tweede lid, van de Wegenverkeerswet (WVW) bepaalt voor zover in deze zaak van belang:

"Het keuringsbewijs dient:

a. (....)

b. zijn geldigheid niet te hebben verloren,

c. (...)"

Art. 73 WVW, tweede lid, bepaalt, voor zover in deze zaak van belang:

"Bij algemene maatregel van bestuur kan onder daarbij te stellen voorwaarden worden bepaald dat:

a. (...)

b. (...)

c. in bepaalde uitzonderingsgevallen tijdelijk wordt of kan worden afgeweken van artikel 72;

d. artikel 72 gedurende een nader te bepalen termijn na het tijdstip van het verstrijken van de geldigheidsduur van het voor het voertuig afgegeven keuringsbewijs niet geldt voor het op de weg staan van dat voertuig."

Hoofdstuk 4 van het Voertuigreglement (VR) bevat de in art. 73 WVW bedoelde uitzonderingen op de keuringsplicht. Voor het voertuig waarmee de gedraging is verricht zijn als uitzonderingen op de keuringsplicht van art. 72 WVW de artikelen 4.6 VR en 4.7, tweede lid, VR van toepassing.

Art. 4.6 VR luidt: "Art. 72, eerste lid, van de wet geldt niet voor een motorrijtuig of een aanhangwagen op de dag waarop dat voertuig naar aanleiding van de aanvraag van een keuringsrapport aan een keuring wordt onderworpen."

Art. 4.7, tweede lid, VR luidt: "Een motorrijtuig of een aanhangwagen mag gedurende twee maanden na het tijdstip waarop de geldigheidsduur van een voor dat motorrijtuig of die aanhangwagen afgegeven keuringsbewijs verstrijkt, op een weg staan zonder dat voor dat motorrijtuig of die aanhangwagen een keuringsbewijs is afgegeven waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken."

3.5. Noch bij, noch krachtens de wet is erin voorzien dat met een motorrijtuig als door de betrokkene bestuurd, mag worden gereden terwijl het keuringsbewijs zijn geldigheid heeft verloren anders dan op de dag dat het voertuig zal worden gekeurd.

3.6. Hetgeen door de betrokkene wordt aangevoerd geeft geen aanleiding om te beslissen, dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden het opleggen van een sanctie niet billijken of dat, gelet op de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert een lager bedrag van de sanctie zou moeten worden vastgesteld.

3.7. De betrokkene voert voorts aan, dat hij buiten zijn schuld niet ter zitting van de kantonrechter is verschenen. Hij klaagt er - onder meer - over, dat hij niet is opgeroepen voor de zitting van 17 april 2002. Bij de stukken van het geding bevindt zich echter een kopie van een aan de betrokkene gerichte brief van de griffier van de rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton - locatie Gouda van 22 februari 2002 waarin de betrokkene wordt medegedeeld dat het door hem ingestelde beroep zal worden behandeld ter zitting van 17 april 2002 te 10.00 uur. Voorts is daarin vermeld: "U kunt dan alsnog uw stellingen toelichten en de in het proces-verbaal van 21 november 2001 gevraagde stukken overleggen."

Die brief is gericht aan het door de betrokkene zowel in het beroepschrift aan de kantonrechter als in de daaropvolgende correspondentie aan het gerecht vermelde adres. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de desbetreffende oproeping niet als onbestelbaar is teruggezonden en dat de stukken ook overigens niets behelzen, waaruit kan volgen dat die oproeping de betrokkene niet heeft bereikt, gaat het hof ervan uit dat de betrokkene de oproepingsbrief heeft ontvangen.

3.8. De overige klachten over het niet-aanwezig kunnen zijn op de zitting van de kantonrechter falen, ten aanzien van de zitting van 21 november 2001 om dezelfde reden als in de vorige overweging uiteengezet en ten aanzien van de zitting van 17 januari 2002, omdat de zaak op die zitting - alsnog - is aangehouden teneinde de betrokkene in de gelegenheid te stellen ter zitting te verschijnen. Opmerking verdient, dat uit het feit dat de kantonrechter de betrokkene in de gelegenheid heeft willen stellen de bewijsstukken voor zijn stellingen over te leggen, niet - naar de betrokkene veronderstelt - voortvloeit dat de kantonrechter op grond daarvan de administratieve sanctie zou hebben vernietigd of gematigd.

3.9. De betrokkene klaagt er terecht over, dat in de processen-verbaal van de zittingen van de kantonrechter van 21 november 2001 en 17 april 2002 wordt aangegeven dat hem een administratieve sanctie is opgelegd van ƒ 225,--, resp.

Euro 102,10. Dit is het bedrag van de sanctie na eerste verhoging. Ingevolge art. 23 WAHV wordt de sanctie pas - van rechtswege - verhoogd nadat de beschikking waarbij een administratieve sanctie is opgelegd, onherroepelijk is geworden. Nu blijkens een mutatie op zaakoverzicht d.d. 28 juni 2001 door de betrokkene zekerheid is gesteld ter hoogte van de initiële beschikking (te weten ƒ 180,--) kan met deze vaststelling worden volstaan.

3.10. Het hof, zal gelet op het vorenoverwogene, de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Kalsbeek en Van Dijk in tegenwoordigheid van mr. Muntinga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting, zijnde mr. Kalsbeek buiten staat deze beslissing te ondertekenen.