Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE8125

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-09-2002
Datum publicatie
26-09-2002
Zaaknummer
WAHV 02-00441
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 02/00441

18 september 2002

CJIB 59047046229

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage

van 6 mei 2002

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te '[woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage deels gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 75,-- De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 250,-- (Euro€ 113,45) opgelegd ter zake van "voetganger (voornemens) op voetgangeroversteekplaats (over te steken) niet voor laten gaan", welke gedraging zou zijn verricht op 20 oktober 2001 op de Ammunitiehaven te 's-Gravenhage.

3.2. De betrokkene ontkent de gedraging te hebben verricht. Hij stelt, dat hij van de linkerrijstrook van de rijbaan naar de rechterrijstrook is uitgeweken en, op de motor afremmend, achter de van rechts naar links overstekende voetgangers is gereden, zonder hen te hinderen en zonder dat er sprake was van een gevaarlijke situatie.

3.3. Het door de verbalisant op ambtseed opgemaakte zaakoverzicht houdt, zakelijk weergegeven in, dat de voetgangers reeds halverwege de voetgangersoversteekplaats waren en vervolgens werden gesneden door de betrokkene. Als verklaring van de betrokkene is opgenomen: "Ik ben van mening dat ik goed gehandeld heb door een uitwijkmanoeuvre te maken op de voetgangersoversteekplaats". Het aanvullend proces-verbaal, d.d. 15 juli 2002 op ambtseed opgemaakt door de verbalisant houdt - zakelijk weergegeven - in, dat hij zo'n 250 meter van de voetgangersoversteekplaats was verwijderd, toen hij de gedraging constateerde. Hij had zijn helm en gehoorbescherming reeds afgedaan en de motor van de motorfiets stond uit. Hij zag dat enige voetgangers op de oversteekplaats liepen, terwijl de betrokkene met zijn personenauto kwam aanrijden. De snelheid van de betrokkene schatte de verbalisant op 40 à 50 km/h. Hij zag dat de voetgangers hun pas versnelden en dat de betrokkene zo'n 20 meter voor de voetgangersoversteekplaats een uitwijkmanoeuvre naar rechts maakte. Tevens werd naar de indruk van de verbalisant door de betrokkene niet geremd, nu hij, - hoewel hij geen helm of gehoorbeschermer droeg, de motor van zijn motorfiets uit was en er geen verkeer achter de auto van de betrokkene reed -, niet heeft geconstateerd dat op de motor werd geremd, noch dat de remlichten brandden.

3.4. Op grond van het vorenstaande gaat het hof uit van de volgende vaststaande gegevens. De voetgangers staken vanuit de betrokkene gezien van rechts naar links over. De betrokkene is, vanaf de linkerrijstrook voor hen uitwijkende, achter hen langs over de rechterrijstrook de voetgangersoversteekplaats gepasseerd.

3.5. De visies van de betrokkene en van de verbalisant lopen uiteen waar de betrokkene stelt op de motor te hebben geremd en aangeeft, dat hij voor de voetgangers geen gevaar of hinder heeft veroorzaakt, terwijl de verbalisant aangeeft, dat door de betrokkene niet merkbaar, - noch door middel van het rempedaal, noch op de motor -, is geremd, terwijl de voetgangers hun pas, - kennelijk ten gevolge van het gedrag van de betrokkene -, versnelden.

3.6. Art. 49, tweede lid, RVV1990 luidt:

"Bestuurders moeten voetgangers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, die op een voetgangersoversteekplaats oversteken of kennelijk op het punt staan zulks te doen, voor laten gaan."

Art. 100, eerste lid, RVV1966 luidde:

"Bestuurder naderen een voetgangersoversteekplaats voorzichtig en verlenen aan voetgangers die zich daarop bevinden onbelemmerde doorgang."

De nota van toelichting op art. 49 van het RVV1990 houdt onder meer in: "(...) De term "ongehinderde doorgang verlenen" in de oude regeling is vervangen door "voor laten gaan". Het ongehinderd doorgang verlenen dat veel lijkt op de betekenis van voorrang, wordt gereserveerd voor bestuurders die elkaar op een kruispunt naderen. Voor andere gevallen waarbij prioriteit van de één boven de ander moet worden vastgelegd wordt de term "voor laten gaan" gebezigd."

Het algemeen deel van de nota van toelichting op het RVV1990 houdt onder hoofdstuk X hieromtrent in: "Zowel onder het oude als het nieuwe RVV moeten bestuurders aan voetgangers (....) op een voetgangersoversteekplaats ongehinderde doorgang verlenen." Uit een en ander volgt, dat in de term "voor laten gaan" in art. 49, tweede lid, RVV 1990 besloten ligt, dat de voetganger ongehinderd door de bestuurder zijn weg op de voetgangersoversteekplaats moet kunnen vervolgen.

3.7. Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de waarneming van de verbalisant, dat de voetgangers hun pas hebben versneld als gevolg van het rijden van de betrokkene. Derhalve kan niet worden gezegd dat de betrokkene de voetgangers ongehinderde doorgang heeft verleend en is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

3.8. Het hof zal derhalve de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Huisman en Van Dijk in tegenwoordigheid van mr. Muntinga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.