Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE8122

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-09-2002
Datum publicatie
26-09-2002
Zaaknummer
WAHV 02/00344
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 2:1
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 02/00344

18 september 2002

CJIB 39042594745

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Utrecht

van 14 maart 2002

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [plaatsnaam]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

[gemachtigde] heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 24 april 2002 aan het door [gemachtigde] opgegeven adres heeft de griffier van het hof aan hem medegedeeld dat een bewijsstuk van machtiging door de betrokkene ontbreekt. Hij is hierbij verzocht om binnen vier weken na de dagtekening van de brief het verzuim te herstellen. [gemachtigde] heeft niet op voormelde brief gereageerd.

Bij brief van 10 juni 2002 heeft de griffier van het hof hem wederom medegedeeld dat een bewijsstuk van de machtiging ontbreekt. Hem is hierbij verzocht om binnen drie weken na de dagtekening van de brief het verzuim te herstellen. Tevens is medegedeeld dat indien het verzuim niet wordt hersteld, het door hem ingestelde beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. [gemachtigde] heeft niet op voormelde brief gereageerd.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

[gemachtigde] is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van ƒ 90,-- (€ Euro 40,84) opgelegd ter zake van "parkeren op parkeerplaats voor vergunninghouders zonder (duidelijk zichtbare) parkeervergunning of in strijd met verbonden voorwaarden", welke gedraging zou zijn verricht op 31 mei 2001 op de Bloemweg te Amersfoort.

3.2. [gemachtigde] heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld.

3.3. Indien een ander dan de betrokkene hoger beroep instelt, zal het hof overeenkomstig het bepaalde in art 2:1, tweede lid Awb van degene die het heeft ingesteld een schriftelijke machtiging kunnen verlangen. Wordt de gevraagde machtiging niet verstrekt, dan kan ingevolge het bepaalde in art. 6:6 Awb het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener van het hoger beroep de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

3.4. Zoals door de advocaat-generaal in het verweerschrift heeft opgemerkt, heeft het hof in zijn arrest van 3 oktober 2001 (WAHV 01/00227, VR 2002,10) het mogelijk geacht, dat bij gebreke van een machtiging degene die de gedraging feitelijk heeft verricht uit eigen hoofde in bezwaar en beroep kan gaan, wanneer de administratieve sanctie is opgelegd aan de kentekenhouder, maar alleen in die gevallen waarin aan te nemen valt, dat degene die de gedraging feitelijk heeft verricht aangesproken zal kunnen worden voor de door deze betaalde administratieve sanctie.

3.5. Nu door [gemachtigde] niet is gereageerd op de brieven waarin hem om een machtiging is verzocht, noch door aan te geven, waarom een machtiging in casu niet van hem gevergd zou mogen worden, noch door een machtiging over te leggen, kan hij in zijn hoger beroep niet worden ontvangen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Van Dijk en Weenink in tegenwoordigheid van mr. Muntinga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.