Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE7809

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
09-09-2002
Datum publicatie
18-09-2002
Zaaknummer
BK 747/00
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2004:AR3509
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-1826
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 747/00 9 september 2002

Uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, na verwijzing bij het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 27 september 2000, nummer 34.924, waarbij op het beroep in cassatie van X te Z de uitspraak van het gerechtshof te Arnhem van 23 oktober 1998 betreffende de aan hem voor het jaar 1996 opgelegde aanslag in de waterschapslasten van het waterschap Oost-Veluwe is vernietigd met verwijzing van het geding naar het gerechtshof te Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van voormeld arrest.

2. Het verloop van de procedure.

Aan belanghebbende werd bij aanslagbiljet onder aanslagnummer 0000000000 door het Dagelijks Bestuur van het Waterschap Oost- Veluwe (thans: het Waterschap Veluwe, nader: het dagelijks bestuur) als eigenaar van twee op het aanslagbiljet nader omschreven gebouwde eigendommen in Z en van twee ongebouwde onroerende zaken te Z en één ongebouwde onroerende zaak in L een aanslag waterschapslasten opgelegd tot een bedrag van in totaal f 38,-.

Op het door belanghebbende tegen deze aanslag gemaakte bezwaar heeft het dagelijks bestuur bij de uitspraak de aanslag gehandhaafd. Op het beroep van belanghebbende tegen vorenbedoelde uitspraak heeft het gerechtshof te Arnhem bij voormelde uitspraak de uitspraak van het dagelijks bestuur bevestigd.

Op het door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie heeft de Hoge Raad bij voormeld arrest de uitspraak van het gerechtshof te Arnhem vernietigd en het geding, gelijk hiervoor omschreven, verwezen naar het gerechtshof te Leeuwarden.

Het hof heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld naar aanleiding van de verwijzing van de zaak een memorie in te zenden.

Belanghebbende heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

Het dagelijks bestuur is in de gelegenheid gesteld een memorie in te dienen.

Het dagelijks bestuur heeft de memorie na verwijzing (met bijlagen), gedagtekend 26 juli 2001, op 30 juli 2001 ter 's hofs griffie doen inkomen.

Afschrift van de memorie is gezonden aan belanghebbende.

Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van het hof van 18 juni 2002, gehouden te Leeuwarden, waarbij aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de gemachtigde van het dagelijks bestuur, bijgestaan door dhr A.

Ter voormelde zitting hebben beide gemachtigden een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

Van alle genoemde (en nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Het hof neemt uit de uitspraak van het gerechtshof te Arnhem en uit het arrest van de Hoge Raad over de vaststaande feiten, de overwegingen en de beslissingen, die in cassatie niet of tevergeefs zijn bestreden, dan wel die welke door de Hoge Raad zijn gegeven.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

Na verwijzing is nog in geschil het antwoord op de vraag of de onderhavige percelen belang hebben bij de werken van het waterschap en/of waterbezwaar opleveren, welke vraag het dagelijks bestuur bevestigend en belanghebbende ontkennend beantwoordt.

Voor een uitgebreidere weergave van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken, waaraan ter zitting geen nieuwe gronden zijn toegevoegd.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1. Vaststaat dat de gebouwde onroerende zaken a-laan 376 en a-straat 39 te Z en de ongebouwde onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Z, sectie U, nummers 0000 en 0001 in feite bestaan uit twee vrijstaande vooroorlogse opstallen met rondom een verhoudingsgewijs grote tuin, gelegen in het centrum van de stad Z en dat ze tot in de verre omtrek zijn omgeven door (zeer) dichte bebouwing op een voornamelijk verharde ondergrond.

4.2. De stad Z, in samenhang met het lager (oostelijk) gelegen gebied van de IJsselvallei, is naar de opvatting van het waterschap aan te merken als een waterstaatkundig als eenheid te beschouwen gebied. Voor het hof is er geen aanleiding het waterschap hierin niet te volgen.

4.3. Het dagelijks bestuur stelt nader in de memorie na verwijzing - kort samengevat, zakelijk weergegeven - dat op verharde oppervlakten van een stedelijk gebied als dat van de stad Z, de afvoer van neerslag nagenoeg geheel over het verharde oppervlak richting oppervlaktewater plaatsvindt waarbij de drainageweerstand extreem laag is, waardoor bij neerslag grote afvoerpieken in het oppervlaktewatersysteem kunnen optreden, zodat voldoende afwaterings- en bergingsmogelijkheden noodzakelijk zijn. Dit heeft er volgens het dagelijks bestuur voor de stad Z toe geleid dat een relatief dicht net van watergangen met overstorten en uitlaten is aangebracht, zodat overtollig (hemel)water via die overstorten en uitlaten kan worden overgebracht op en afgevoerd door het afwateringsstelsel van het waterschap.

Het hof acht, mede gelet op de onder productie 2 bij de memorie overgelegde "Overzichtskaart A-watergangen Z", voormelde stellingen van het dagelijks bestuur aannemelijk.

4.4. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat de onder 4.1. genoemde onroerende zaken, die liggen in het onder 4.2. vermelde als een waterstaatkundige eenheid te beschouwen gebied, belang hebben bij de taken van het waterschap. Dat er sprake is bijzondere omstandigheden die zich tegen de heffing ten aanzien van juist deze percelen verzetten is het hof niet aannemelijk geworden. De omstandigheden dat de oppervlakte van deze percelen grotendeels onbebouwd is en aansluiting op de gemeentelijke riolering ontbreekt leiden in casu niet tot een ander oordeel. Immers, de onderhavige onroerende zaken profiteren evengoed van de beschreven afwatering door middel van de werken van het waterschap, nu aannemelijk is dat overtollig (hemel)water van belanghebbendes percelen en van de verharde oppervlakte van omliggende percelen (mede) door de werken van het waterschap kan worden afgevoerd en niet ten dele terechtkomt / achterblijft op de percelen van belanghebbende.

4.5. In het door het dagelijks bestuur overgelegde rapport van ARCADIS, infrastructuur, gebouwen, milieu, communications, van 12 juli 2001 wordt in hoofdstuk 5 op bladzijde 12 onder meer het volgende geconcludeerd:

"Kostenveroorzaking klasse 3 van het perceel van de heer X. De stroombanen van de isohypsenkaart en het dwarsprofiel bewijzen dat het overtollige water van het perceel van de heer X (bedoeld is: het ongebouwde bosperceel in L, met het kadastrale nummer: sectie M, nr. 0002) als kwel ten zuidwesten van het Apeldoorns Kanaal aan de oppervlakte komt. Deze kwel wordt door middel van watergang H36-H34 afgevoerd naar de Beekbergse Beek en vervolgens naar het gemaal M. De watergang H36-H34 is eind jaren '80 in capaciteit vergroot onder andere om de kwel af te voeren."

4.6. Naar het oordeel van het hof heeft het dagelijks bestuur door middel van de inhoud van het overgelegde rapport, waaraan het hof zich conformeert, aannemelijk gemaakt dat voor het waterstaatkundig als eenheid te beschouwen gebied waarin het onderhavige bosperceel ligt de onderhavige ondergrondse afstroming zodanig is dat zij kosten voor het waterschap veroorzaakt. Immers, de capaciteit van de voor die afstroming benodigde watergang H36-H34 moest door het waterschap worden vergroot om onder meer de hiervoor beschreven kwel af te voeren en deze vergrote watergang zal vervolgens door het waterschap moeten worden onderhouden. Er is ten aanzien van het onderhavige bosperceel derhalve sprake van waterbezwaar.

4.7. Nu er geen aanleiding is aan te nemen dat de onderhavige aanslagen, mede in aanmerking genomen hetgeen hiervoor is overwogen, niet overeenkomstig de geldende verordeningen zijn vastgesteld, ligt het gelijk aan de kant van het dagelijks bestuur.

4.8. Er zijn geen termen aanwezig te komen tot een veroordeling tot betaling van een vergoeding ter zake van gemaakte proceskosten.

6. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep van belanghebbende ongegrond;

Gedaan op 9 september 2002 door mr H.H.A. Fransen, raadsheer als voorzitter, mr F.J.W. Drion, raadsheer en mr J. Wolt, raadsheer-plaatsvervanger, op die dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mw mr K. de Jong - Braaksma, en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 18 september 2002 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.

De griffier van het Gerechtshof

te Leeuwarden.