Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE7806

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-09-2002
Datum publicatie
18-09-2002
Zaaknummer
BK 29/00
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2004:AR4364
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-1811
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 29/00 3 september 2002

Uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige belastingkamer, na verwijzing bij het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 15 december 1999, nummer 33.424, waarbij op het beroep in cassatie van X te Z de uitspraak van het gerechtshof te Arnhem van 29 april 1997 betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 1994 opgelegde aanslagen in de waterschapslasten is vernietigd met verwijzing van het geding naar het gerechtshof te Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van voormeld arrest.

1.Ontstaan en loop van het geding.

Aan belanghebbende zijn voor het jaar 1994 twee aanslagen in de waterschapslasten opgelegd ten bedrage van f 58,15 onderscheidenlijk f 152,--.

Op het door belanghebbende tegen deze aanslag gemaakte bezwaar heeft het Hoofd van de afdeling financiën van het waterschap Oost-Veluwe (welk waterschap als rechtsopvolger heeft het waterschap Veluwe, van welk waterschap de heffingsambtenaar, nader te noemen: de heffingsambtenaar, thans de bevoegdheden van voormeld Hoofd, nader te noemen: het Hoofd, uitoefent) bij uitspraak de aanslagen gehandhaafd. Op het beroep van belanghebbende tegen vorenbedoelde uitspraak heeft het gerechtshof te Arnhem bij voormelde uitspraak de uitspraak van het Hoofd bevestigd.

Op het door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie heeft de Hoge Raad bij voormeld arrest de uitspraak van het gerechtshof te Arnhem vernietigd en het geding, gelijk hiervoor omschreven, verwezen naar het gerechtshof te Leeuwarden.

Het hof heeft de heffingsambtenaar in de gelegenheid gesteld naar aanleiding van de verwijzing van de zaak een memorie in te zenden.

De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft vorenbedoelde memorie, met 8 producties, gedagtekend 29 augustus 2000, op 1 september 2000 ter 's hofs griffie doen inkomen.

Afschrift van deze memorie is gezonden aan de gemachtigde van belanghebbende, die in de gelegenheid werd gesteld een contra-memorie in te dienen, van welke gelegenheid de gemachtigde geen gebruik heeft gemaakt.

Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 12 juni 2002, gehouden te Leeuwarden, waarbij aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, die werd vergezeld door de heer A.

Ter voormelde zitting hebben zowel de gemachtigde van belanghebbende als de gemachtigde van de heffingsambtenaar een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

Van alle genoemde (en nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Het hof neemt uit de uitspraak van het gerechtshof te Arnhem en uit het arrest van de Hoge Raad over de vaststaande feiten, de overwegingen en de beslissingen, die in cassatie niet of tevergeefs zijn bestreden, dan wel die welke door de Hoge Raad zijn gegeven.

3. Het geschil.

Na verwijzing is nog in geschil het antwoord op de vraag of de indeling van belanghebbendes percelen in klasse III, als bedoeld in artikel 12 van de Belastingverordening voor het waterschap Oost-Veluwe (nader: de Verordening) juist is, dan wel de indeling dient te geschieden in klasse IV op grond van de uit het zogenaamde IWACO-rapport af te leiden omvang van de afwatering van de percelen van belanghebbende. Tevens is nog in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbendes percelen op grond van het gelijkheidsbeginsel geheel dienen te worden vrijgesteld nu de begraafplaats B eveneens geheel is vrijgesteld van de heffing van waterschapslasten.

4. De standpunten van partijen.

Voor de door partijen ingenomen standpunten verwijst het hof naar de processtukken, waaronder begrepen de eerder genoemde pleitnota's.

Partijen hebben ter zitting hun onderscheidene standpunten gehandhaafd.

Namens belanghebbende is ter zitting nog naar voren gebracht dat de beide grotere percelen weiland met woonhuis betreffen en het kleine perceel een woning met erf in de bebouwde kom van Z. Voorts acht hij de grenzen van de vrijgestelde gebieden willekeurig getrokken.

De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft nog verklaard dat de aanslagen ambtshalve zijn teruggebracht tot aanslagen naar indeling in klasse IV en dat de daaruit volgende vermindering aan belanghebbende is terugbetaald. Tevens heeft hij aan de hand van een topografische kaart de begrenzing van de vrijgestelde gebiedsdelen toegelicht.

5. De overwegingen omtrent het geschil.

5.1 In zijn verwijzingsarrest heeft de Hoge Raad overwogen, samengevat, dat, afhankelijk van de manier waarop het zogenaamde IWACO-rapport dient te worden opgevat, hetgeen het hof gemotiveerd dient te beslissen, het daarvan afhankelijk kan zijn of de onderhavige percelen dienen te worden ingedeeld in klasse III dan wel in minder betalende klasse IV.

5.2 De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft ter zitting verklaard, hetgeen bevestiging vindt in tot de gedingstukken behorende afschriften van correspondentie tussen het waterschap en de gemachtigde van belanghebbende, dat het waterschap de aanslagen bij ambtshalve genomen beschikking van 22 februari 2000 heeft teruggebracht tot aanslagen naar indeling in klasse IV en tot bedragen van f 45,-- respectievelijk f 110,--. Tevens heeft de gemachtigde van de heffingsambtenaar onweersproken gesteld dat terugbetaling van het in verband daarmee te veel betaalde inmiddels heeft plaatsgevonden.

5.3 Namens belanghebbende wordt weliswaar gepleit voor indeling in de nietbetalende klasse V, doch belanghebbende treedt daarmee buiten de rechtsstrijd zoals die na cassatie resteert.

5.4 Nu het waterschap zich ambtshalve nader heeft gesteld op het voor belanghebbende meest gunstige standpunt welk volgens het arrest van de Hoge Raad mogelijk was, heeft belanghebbende thans geen belang meer bij een oordeel van het hof omtrent het IWACO-rapport en zijn betekenis voor de klasse-indeling.

5.5 Belanghebbende beroept zich voorts, naar het hof begrijpt, op het gelijkheidsbeginsel als argument voor indeling in een nietbetalende klasse of voor het deelachtig worden van een vrijstelling van betaling. Belanghebbende vergelijkt (al) zijn percelen met de begraafplaats B waarvoor, naar tussen partijen niet in geschil is, op grond van het bepaalde in artikel 8, dan wel artikel 8a, van het Bijzonder reglement voor het waterschap Oost-Veluwe, geen lasten worden geheven.

5.6 Blijkens de topografische kaart die als bijlage 3 bij de memorie na verwijzing tot de stukken behoort en die door de gemachtigde van de heffingsambtenaar ter zitting is toegelicht, is de begraafplaats B opgenomen in een grotere eenheid van het beheersgebied, grenzend aan ongereglementeerd gebied. Gelet op de toelichting die is gegeven met betrekking tot die en gelijksoortige eenheden (productie 1 bij de memorie na verwijzing) moet deze eenheid worden beschouwd als een waterstaatkundige eenheid, waardoor de samenstellende delen van die eenheid in dezelfde klasse dienen te worden ingedeeld. Hierbij is niet van belang of ieder samenstellend deel een identiek belang bij de taakvervulling van het waterschap heeft, dan wel een identiek waterbezwaar veroorzaakt.

5.7 Nu belanghebbendes percelen niet behoren tot de waterstaatkundige eenheid waartoe de begraafplaats B behoort, is, ongeacht de mate van vergelijkbaarheid per perceel, al geen sprake van vergelijkbare gevallen waaraan belanghebbende de in rechte te honoreren verwachting kon ontlenen dat zijn percelen eveneens in een nietbetalende klasse dienen te worden ingedeeld, dan wel dienen te worden vrijgesteld.

5.8 Belanghebbende heeft nog wel gesteld -naar het hof begrijpt- dat de grenzen van het vrijgestelde gebied met willekeur zijn getrokken, doch zulks is naar 's hofs oordeel ten processe niet aannemelijk geworden.

5.9 Belanghebbendes stelling dat hij ten aanzien tot zijn percelen op grond van het gelijkheidsbeginsel niet tot betaling van waterschapslasten verplicht is faalt derhalve.

5.10 De uitspraak op het bezwaar dient, gelet op het vorenstaande, te worden vernietigd en de aanslagen te worden verminderd gelijk zulks reeds ambtshalve door de heffingsambtenaar is gedaan.

5.11 In de omstandigheden van het geval vindt het hof aanleiding op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep voor het gerechtshof te Arnhem en na verwijzing redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten het hof op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt op € 966,-- en welke kosten dienen te worden gedragen door het waterschap Veluwe.

6. De beslissing.

Het hof

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van het Hoofd;

vermindert de aanslagen tot aanslagen van ƒ 45,-- (€ 20,42) respectievelijk f 110,-- (€ 49,91), zoals reeds is gedaan door het waterschap bij ambtshalve genomen beschikking van 22 februari 2000;

bepaalt dat het betaalde griffierecht in prima ad f 75,-- (€ 34,03) aan belanghebbende wordt vergoed door de heffingsambtenaar;

veroordeelt de heffingsambtenaar de kosten aan belanghebbende te vergoeden, die deze heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, te bepalen op € 966,--;

wijst het waterschap Veluwe aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te dragen.

Gedaan op 3 september 2002 door prof.mr. Aardema , vice-president, mr. Drion en mr. Huiskes, raadsheren, en op die dag in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden in tegenwoordigheid van de griffier dhr. Gerrits en ondertekend door voornoemde vice-president, zijnde voornoemde griffier buiten staat te ondertekenen.

Op 17 september 2002 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.