Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE7519

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
28-08-2002
Datum publicatie
12-09-2002
Zaaknummer
WAHV 02-00429
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 5, geldigheid: 2002-08-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2003, 35

Uitspraak

WAHV 02-00429

28 augustus 2002

CJIB 40679460

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Breda

van 6 maart 2002

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Breda ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van f 180,-- (81,68 euro) opgelegd ter zake van "niet stoppen voor rood knipperend overweglicht", welke gedraging zou zijn verricht op 19 maart 2001 op de Vijf Eikenweg te Rijen met het voertuig met het kenteken [kenteken].

3.2. De betrokkene stelt dat ten onrechte is voorbijgegaan aan haar verweer dat het rode licht ging knipperen toen zij reeds ter hoogte van de witte stopstreep was, waardoor stoppen voor haar niet meer mogelijk was tenzij zij een noodstop had gemaakt.

3.3. Ter zake van de onderhavige gedraging is op verzoek van de advocaat-generaal door de verbalisant op 4 juli 2002 een ambtsedig proces-verbaal opgemaakt. Dit houdt in als relaas van de verbalisant:

"Op 19 maart 2001 was ik, verbalisant, in uniform gekleed en destijds als adspirant werkzaam bij de politie Gilze en Rijen.

Ik, verbalisant, en nog twee andere agenten waren op dat moment belast met een roodlichtproject op de kruising van de Oosterhoutse weg en de spoorwegovergang. Op de uitgereikte bekeuring staat per abuis Vijf Eikenweg geschreven. Zo wordt de Oosterhoutseweg namelijk in de volksmond genoemd. De officiële benaming is Oosterhoutseweg. Eén van de agenten stond op een parkeerterrein vòòr de spoorwegovergang (dit is op nog geen 30 meter van de slagbomen) te posten. Die agent zag dat de bestuurder van een motorvoertuig, zijnde een [merk auto] voorzien van het kenteken [kenteken] ruimschoots voor de slagbomen danwel de witte stopstreep reed, toen de rode knipperlichten begonnen te knipperen. Dit is aan ons portofonisch doorgegeven. Daarnaast stonden wij, verbalisant en een agent, een 50 meter voorbij de spoorweg de overtreders 'af te vangen' om ze vervolgens te verbaliseren. Tevens heb ik, verbalisant, ondanks de duisternis en de afstand, goed kunnen zien dat de bestuurder van vernoemd voertuig ruimschoots de tijd had om op tijd af te remmen. ( .... ) "

3.4. Artikel 71 RVV 1990 luidt:

Bij overweglichten betekent:

a. wit knipperlicht: er nadert geen trein;

b. rood knipperlicht: stop.

3.5. Artikel 79 RVV 1990 luidt:

Bestuurders moeten voor een voor hen bestemde stopstreep stoppen, indien stoppen op grond van dit besluit is verplicht.

3.6. Onderdeel 6 van Hoofdstuk IV, par. 2, van de Uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeerstekens luidt:

6. De stopstreep, zoals bedoeld in art. 79 van het RVV 1990

Toepassing en plaatsing

Voor een verkeerslicht als bedoeld in de artikelen 68 tot en met 72 van het RVV 1990 en voor een bord B7 wordt een stopstreep aangebracht om duidelijk te maken op welke plaats door bestuurders gestopt dient te worden.

3.7. De hiervoor genoemde bepalingen, gelezen in onderling verband en samenhang, moeten aldus worden begrepen, dat de bestuurder in geval van rood knipperlicht zijn voertuig tot stilstand dient te brengen voor het rode knipperlicht en, indien er een stopstreep is aangebracht, voor die stopstreep.

3.8. De betrokkene wijst er terecht op dat, anders dan bij verkeerslichten, bij overweglichten niet is voorzien in een licht dat aankondigt dat het rode knipperlicht zal gaan werken. Mede gelet op het bepaalde in art. 5 WVW1994 dient art. 71 RVV1990 daarom aldus te worden verstaan, dat er geen plicht tot stoppen bestaat voor bestuurders die het rode knipperlicht - dan wel bij aanwezigheid van de stopstreep: - de stopstreep zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is.

3.9. Zowel de betrokkene als de verbalisant reppen van een stopstreep. Daarom moet er van worden uitgegaan dat ter plaatse van de onderhavige gedraging een stopstreep aanwezig was. Uit het relaas van de verbalisant wordt echter niet duidelijk of zijn oordeel, dat de betrokkene ruimschoots de tijd had om af te remmen is gerelateerd aan de afstand waarop zij zich van de stopstreep bevond toen het rode overweglicht ging knipperen of aan de afstand waarop zij zich toen van het overweglicht bevond. Dit betekent dat het gezien het relaas van de verbalisant zeer wel mogelijk is dat de betrokkene, toen het overweglicht rood ging knipperen, zich zo dicht bij de stopstreep bevond dat zij redelijkerwijs niet meer kon stoppen, maar dat zij zich toen op een afstand van het rode overweglicht bevond waarbinnen zij redelijkerwijs wel kon stoppen.

3.10. In aanmerking genomen dat de vraag of de betrokkene had dienen te stoppen dan wel - omdat zij redelijkerwijs niet had kunnen stoppen - mocht doorrijden , beantwoord moet worden in relatie tot de plaats waar de stopstreep op de weg was aangebracht, kan gelet op het onder 3.9. overwogene niet komen vast te staan, dat de betrokkene - anders dan zij stelt - redelijkerwijs in staat was te stoppen voor de stopstreep toen het overweglicht rood ging knipperen.

3.11. Het vorenoverwogene brengt mee, dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven. Daarom kan hetgeen de betrokkene overigens nog te berde heeft gebracht buiten behandeling blijven.

3.12. De bestreden beslissing dient te worden vernietigd. Het hof zal doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen.

3.13. Er is niet gebleken dat de betrokkene kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 18 juni 2001, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nr. 40679460 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van art. 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van € 81,68 euro, door de advocaat-generaal aan haar wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mrs. Vellinga, Dijkstra en Kalsbeek, in tegenwoordigheid van mr. Bennen als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.