Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE7490

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-09-2002
Datum publicatie
11-09-2002
Zaaknummer
BK 126/01
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-1774
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK-01/00126 6 september 2002

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, tweede enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van

X te Z (: de belanghebbende)

tegen de uitspraak van

het hoofd van de Belastingdienst/Ondernemingen Heerenveen (: de inspecteur),

gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aan-slag 1998 Premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (: WAZ).

1. Het procesverloop:

1.1. Voornoemde aanslag is gedagtekend 7 november 1998.

1.2. Tegen deze aanslag heeft de belanghebbende bij een op 21 november 2000 bij de inspecteur binnengekomen bezwaarschrift bezwaar gemaakt.

1.3. Bij uitspraak van 4 januari 2001 heeft de inspecteur onder handhaving van de aanslag het bezwaar afgewezen.

1.4. Van deze uitspraak is de belanghebbende bij een op 7 februari 2001 bij het hof binnengekomen beroepschrift in beroep gekomen.

1.5. Het verweerschrift van de inspecteur is op 31 mei 2001 bij het hof binnengekomen.

1.6. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 juni 2002, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de belanghebbende bijgestaan door zijn gemachtigde A, Federatiebelastingadviseur, alsmede de inspecteur.

1.7. De inspecteur heeft op de zitting zijn pleitnota voorgelezen en aan het hof overgelegd.

1.8. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

1.9. Het hof heeft in deze zaak op 21 juni 2002 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 3 juli 2002, aan partijen is verzonden.

1.10. Bij een op 29 juli 2002 bij het hof binnengekomen faxbericht heeft de belanghebbende verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door

een schriftelijke.

1.11. Het verschuldigde griffierecht is op 12 augustus 2002 voldaan.

2. De feiten:

Op grond van de gedingstukken en van hetgeen op de zitting is gebleken staat als over en weer onbetwist, althans onvoldoende betwist, tussen partij en vast:

2.1. De belanghebbende vormt met zijn echtgenote en twee kinderen één huishouding.

2.2. In 1998 zijn zij verhuisd van L naar Z.

2.3. Sinds eind juli 1998 voert de belanghebbende in maatschapverband met zijn echtgenote een dierenpraktijk onder de naam B te Z.

2.4. Zowel de belanghebbende als zijn echtgenote hebben in hun belastingaangifte 1998 het gehele forfaitaire bedrag als bedoeld in artikel 8b, tweede lid, onderdeel a sub 10 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 op de winst uit onderneming in mindering gebracht.

2.5. Niet in geding is de zakelijkheid van de verhuizing.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de belanghebbende in aanmerking komt voor de gehele forfaitaire aftrek.

3.2. De belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de inspecteur ontkennend.

3.3. Voor de overige standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1. Artikel 8b, tweede lid, aanhef en onder a sub 10 (: het wetsartikel) luidt:

"Bij het bepalen van de winst komen, onverminderd het bepaalde in het eerste lid, kosten en lasten die verband houden met de volgende posten tot het bij die posten aangegeven gedeelte in aftrek: ten behoeve van de ondernemer zelf: verhuizing naar een andere woonruimte: de kosten van het overbrengen van zijn inboedel vermeerderd met ƒ 12.000,--".

4.2. De belanghebbende neemt het standpunt in dat, nu de wet expliciet aangeeft welke posten ten behoeve van de ondernemer zelf in aftrek op de winst kunnen worden gebracht, zowel hij als zijn echtgenote in aanmerking komen voor de gehele forfaitaire aftrek.

4.3. De inspecteur bestrijdt dit standpunt.

4.4. Het hof is van oordeel dat strekking en doel van het wetsartikel niet impliceren dat de gehele forfaitaire aftrek toekomt aan elk van de tot één verhuizende huishouding behorende ondernemer. Strekking en doel van de wet is naar het oordeel van het hof het voorkomen van lastige discussies over wat onder aftrekbare herinrichtingskosten moet worden verstaan. Nu er sprake is van ten behoeve van één huishouding gedane uitgaven terzake van herinrichting zou een toewijzing van tweemaal de aftrek op gespannen voet komen te staan met het systeem van de belastingwetgeving inzake fiscale aftrekposten. Immers is het systeem zodanig ingericht dat éénmalig gedane voor fiscale aftrek in aanmerking komende uitgaven, éénmaal in aftrek kunnen worden gebracht.

4.5. De inspecteur heeft derhalve terecht de helft van de forfaitaire aftrek toegestaan.

4.6. Het beroep is gelet op het voorgaande ongegrond.

5. De proceskosten:

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing.

Het hof:

verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan door mr Pruiksma, raadsheer als voorzitter, lid van de tweede enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de heer Haarsma als griffier en in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden op 6 september 2002 door de voorzitter, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, De voorzitter,

M. Haarsma mr H.S. Pruiksma

Afschrift per aangetekende post

aan partijen verzonden op: 11 september 2002

De griffier van het Gerechtshof

te Leeuwarden.