Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE7376

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
28-08-2002
Datum publicatie
09-09-2002
Zaaknummer
WAHV 02-00632
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 02/00632

28 augustus 2002

CJIB 40338894

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch

van 12 maart 2002

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Hertogenbosch ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 180,-- (= Euro€ 81,68) opgelegd ter zake van "niet stoppen voor rood licht bij driekleurig verkeerslicht", welke gedraging zou zijn verricht op 1 maart 2001 op de Koningin Julianalaan te Waalre.

3.2. De betrokkene ontkent de gedraging te hebben verricht. Hij stelt dat het verkeerslicht voor de richting waarin hij is gereden, te weten het licht voor rechtsafslaand verkeer op groen stond.

3.3. Op grond van het zaakoverzicht, het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 september 2001 en de verklaringen van de betrokkene kan van het navolgende als vaststaand worden uitgegaan.

3.4. De betrokkene bevond zich op het kruispunt van de Julianalaan met de Eindhovenseweg/Valkenswaardseweg als tweede auto in de voorsorteerstrook voor rechtsafslaand verkeer. Hij is om de voor hem staande auto heengereden met gebruikmaking van de voorsorteerstrook voor rechtdoorgaand en linksafslaand verkeer en rechtsaf de Valkenswaardseweg opgereden. Het verkeerslicht voor rechtdoorgaand (en linksafslaand) verkeer straalde toen in zijn richting in ieder geval rood licht uit. Hij is daarop staande gehouden.

3.5. Volgens de betrokkene bleef de voor hem staande auto staan toen het verkeerslicht voor rechtsafslaand verkeer groen licht ging uitstralen en gaf de bestuurder ervan te kennen dat hij "niet van plan was aan te rijden of dat hij dit niet kon." Daarop is de betrokkene om de stilstaande auto heengereden. De aankondiging van de beschikking en het zaakoverzicht vermelden niet meer dan dat de betrokkene niet is gestopt voor rood licht bij driekleurig verkeerslicht op de kruising Koningin Julianalaan/Valkenswaardseweg en dat het verkeerslicht reeds geruime tijd op rood stond op het moment dat de betrokkene dit licht negeerde. Als verklaring van de betrokkene is opgenomen: "Ik heb op deze kruising al meerdere malen voor niets staan te wachten". Het aanvullend proces-verbaal d.d. 5 september 2001 houdt in: "Toen wij deze kruising op ongeveer 100 meter genaderd waren, zagen wij dat er 2 personenauto's achter elkaar, uiterst rechts van de weg, voor het aldaar aanwezige verkeerslicht stil stonden. Wij zagen toen, dat dit verkeerslicht rood licht uitstraalde in de richting van genoemde voertuigen. Wij zagen dat de bestuurder van de achterste personenauto (...) de voorste personenauto, die stilstond voor het verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, deze links voorbijreed, rechtsaf ging en zijn weg vervolgde over de Valkenswaardseweg."

3.6. Hoewel het aanvullend proces-verbaal aangeeft, dat de voorste auto stilstond voor het verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, - hetgeen gelet op de context zal moeten worden begrepen als: rood licht uitstralend voor rechtafslaand verkeer -, acht het hof het desalniettemin mogelijk, dat de lezing van de betrokkene omtrent de werking van de verkeerslichten de juiste is. Daartoe neemt het hof in aanmerking, dat vaststaat, dat het verkeerslicht voor rechtdoorgaand verkeer op rood stond, dat de betrokkene de manoeuvre uitvoerde terwijl dicht achter hem zich een opvallend dienstvoertuig van de politie bevond, - terwijl de ervaring leert, dat een dergelijke manoeuvre niet uitgevoerd wordt dan nadat de bestuurder in de spiegels heeft gekeken -, en dat het aanvullend proces-verbaal is opgesteld, geruime tijd nadat de aankondiging van de beschikking is uitgeschreven. De door de verbalisant opgenomen verklaring zoals weergegeven in de aankondiging van de beschikking is niet strijdig met hetgeen zich volgens de betrokkene heeft voorgedaan. Aldus is het mogelijk, dat de verbalisanten zich in hun waarneming hebben vergist ofwel de betrokkene (ten onrechte) hebben geverbaliseerd met betrekking tot het negeren van het rood licht uitstralende verkeerslicht geldend voor het rechtdoorgaand verkeer.

3.7. Naar het oordeel van het hof is - nu ook de advocaat-generaal heeft afgezien van het indienen van een verweerschrift - niet komen vast te staan dat de betrokkene de gedraging heeft verricht.

3.8. Wel staat vast, dat de betrokkene in strijd heeft gehandeld met artikel 78 RVV1990, dat luidt: "Bestuurders van een motorvoertuig en bromfietsers die de rijbaan volgen zijn verplicht op een kruispunt de richting te volgen die de voorsorteerstrook waarop zij zich bevinden aangeeft".

3.9. De nota van toelichting op dit artikel, zoals dit luidde vóór de laatste wijziging (Besluit 27 mei 1999, Stb.268) houdt onder meer in: "Overigens verhindert de bepaling niet dat een bestuurder die constateert dat hij het onjuiste voorsorteervak berijdt, de juiste strook opzoekt, voor zover hij daarmee de veiligheid niet in gevaar brengt. Pas in dergelijke gevallen is politieoptreden gewenst." Blijkens de nota van toelichting bij het besluit van 27 mei 1999 is ten aanzien hiervan geen wijziging beoogd.

3.10. Nu blijkens de laatste zin van de nota van toelichting niet in alle gevallen, waarin van rijstrook wordt gewisseld op een kruispunt met voorsorteerstroken door de politie zal worden opgetreden, zal het hof, - nu het niet kan beoordelen of in de ogen van de verbalisanten de manoeuvre van de betrokkene van dien aard was dat deze diende te worden gesanctioneerd op grond van de WAHV - de bij die gedraging behorende - even hoge - sanctie niet in de plaats stellen van de oorspronkelijk opgelegde.

3.11. Het hof zal derhalve de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen wat deze had behoren te doen.

3.12. Uit het dossier blijkt, dat de betrokkene ter zitting van de kantonrechter is verschenen. Nu de betrokkene in het gelijk wordt gesteld zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de reiskosten van de betrokkene, ingevolge art. 2 Besluit proceskosten bestuursrecht juncto art. 6, eerste lid, onderdeel III berekend naar de tarieven van het openbaar vervoer, laagste klasse.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het ingestelde beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 28 september 2001, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nr. 40338894 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat een bedrag van Euro€ 81,68 door de advocaat-generaal aan de betrokkene wordt gerestitueerd, welk bedrag overeenkomt met een bedrag van f 180,-- dat door hem op de voet van art. 11 WAHV tot zekerheid is gesteld;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten ter hoogte van €Euro 3,30.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Vellinga en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.