Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE7350

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
28-08-2002
Datum publicatie
09-09-2002
Zaaknummer
WAHV 02-00611
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 5, geldigheid: 2002-08-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 02/00611

28 augustus 2002

CJIB 49042929351

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Utrecht

van 13 mei 2002

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 170,-=- (= Euro€ 77,14) opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom bij wegwerkzaamheden(verkeersbord A1)"; >10 en t/m 15 km/h, welke gedraging zou zijn verricht op 4 mei 2001 op de Archimedeslaan te Utrecht.

3.2. De betrokkene ontkent niet de gedraging te hebben verricht. Hij stelt echter de verkeersborden met de snelheidsaanduiding 30 km/u niet te hebben gezien. Hij geeft tevens aan dat hij in verband met de chaotische verkeerssituatie vóór het viaduct onder de A-28, - de plaats waar het voertuig met de radarapparatuur stond opgesteld -, de aandacht voor het verkeer heeft laten prevaleren boven het lezen van verkeersborden. Voorts voert hij aan dat hij reeds met een aangepaste snelheid van 43 km/u reed, op een weggedeelte," dat zich kennelijk op dat moment voor een hogere snelheid leende, getuige de hoge snelheden boven 50 km/u, die u bij nadere beschouwing op dezelfde film zult aantreffen." Hij bestrijdt dat ten tijde van de gedraging (vrijdagmiddag om 16.04 uur) nog wegwerkers aan het werk zouden zijn geweest, zodat - zakelijk weergegeven - op dat moment de reden voor de snelheidscontrole in zijn ogen was komen te vervallen. Hij stelt "volledig overtuigd te zijn van de juistheid van (z)ijn handelen op bedoelde locatie, gebaseerd op een stukje eigen verantwoording, die door de wetgever in de nieuwe wegenverkeerswet bij weggebruikers is neergelegd".

3.3. Ten aanzien van de door de betrokkene aangevoerde eigen verantwoordelijkheid van de weggebruiker overweegt het hof in verband met de onderhavige gedraging het volgende.

De nota van toelichting op het RVV1990 houdt onder meer in: "De nieuwe algemene bepaling (i.e. art. 5 WVW 1994) verplicht dus iedereen zich zodanig te gedragen dat geen gevaar wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt alsmede dat het verkeer niet wordt gehinderd of kan worden gehinderd. Deze norm is uitgewerkt in een aantal concrete voorschriften. Daarbij is niet langer geprobeerd voor alle denkbare situaties een instructie te formuleren. Als hier gesteld wordt dat het RVV 1990 ruimte biedt voor de eigen verantwoordelijkheid en het eigen inzicht van de verkeersdeelnemers, dan is dat meer dan een gebaar in de richting van de mondige burger. In de praktijk is een behoorlijke afwikkeling van het verkeer in deze tijd namelijk ondenkbaar zonder de mensen op deze eigenschappen aan te spreken. Bij het opstellen van het RVV 1990 is geprobeerd een evenwicht te vinden tussen wat voorgeschreven moet worden en wat aan het inzicht van de verkeersdeelnemers overgelaten dient te worden. De optelsom moet zijn: een veilig en ordelijk verloop van het verkeer.

Zo is er een aantal basisregels uit de bus gekomen waaraan in beginsel onder alle omstandigheden moet worden voldaan. Vervolgens geeft de in de WVW op te nemen algemene bepaling de grenzen aan waarbinnen de verkeersdeelnemers naar eigen inzicht en verantwoordelijkheid moeten handelen."

Art. 5 WVW1994 luidt:

Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.

Art. 62 RVV1990 luidt: "Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden".

Uit het samenstel van deze beide bepalingen volgt, dat de weggebruiker zichzelf in staat dient te stellen kennis te nemen van de voor hem geldende verkeerstekens en dat hij de verplichtingen die de verkeerstekens hem opleggen dient op te volgen. Uit de nota van toelichting volgt derhalve niet, naar de betrokkene ingang wil doen vinden, dat de wetgever in de onderhavige situatie, waarin door middel van een bord A1 de maximumsnelheid is aangegeven, de verkeersdeelnemer de mogelijkheid heeft gelaten te bepalen welke snelheid naar zijn overtuiging de veiligheid of vlotheid van het verkeer het beste zou dienen, althans voor zover deze de door de borden aangegeven maximumsnelheid overtreft.

3.4. De opmerking van de betrokkene, dat ten tijde van de gedraging geen werkzaamheden meer zouden zijn verricht is in strijd met hetgeen door de verbalisant hieromtrent is opgemerkt. Maar ook indien ten tijde van de door de betrokkene begane gedraging niet meer daadwerkelijk werkzaamheden zouden zijn verricht, levert dat geen omstandigheid op, die oplegging van een sanctie niet billijkt of tot een lager bedrag van de sanctie moet leiden. Voor een gedraging als de onderhavige is niet vereist dat er ten tijde van de gedraging ook daadwerkelijk werd gewerkt (vergelijk HR 12 mei 1998, VR 1998/162).

3.5. De betrokkene is verder van oordeel, dat een tweetal omissies in de beslissing van de kantonrechter er toe zouden moeten leiden dat de inleidende beschikking zou dienen te worden vernietigd en de door hem betaalde zekerheidstelling zou moeten worden geretourneerd.

3.6. Art. 20d, eerste lid, WAHV luidt: "Indien het gerechtshof het beroepschrift ontvankelijk acht, bevestigt het gerechtshof de beslissing van de kantonrechter, hetzij met overneming, hetzij met verbetering van de gronden, of doet het, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beslissing van de kantonrechter, hetgeen de kantonrechter zou behoren te doen." Hieruit volgt, dat eventuele fouten in het vonnis van de kantonrechter niet het rechtstreekse gevolg kunnen hebben, dat de inleidende beschikking dient te worden vernietigd.

3.7. De beslissing vermeldt als datum van de zitting van de kantonrechter: 13 maart 2001. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter is deze gehouden op 6 mei 2002. Tegen deze zitting is de betrokkene ook opgeroepen en hij is op deze zitting verschenen. De datum 13 maart 2001 is derhalve een kennelijke vergissing, waarvoor gelezen dient te worden: 6 mei 2002. De kantonrechter heeft in de beslissing de datum van de gedraging niet vermeld. In aanmerking nemende, dat het CJIB-nummer van de gedraging in het hoofd van de beslissing is vermeld en dat de behandeling ter zitting blijkens het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter en blijkens de beslissing de onderhavige gedraging heeft betroffen is er geen sprake van een omissie, die zou moeten leiden tot de vernietiging van de beslissing van de kantonrechter.

3.8. Het hof zal derhalve de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.