Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE7311

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
30-08-2002
Datum publicatie
09-09-2002
Zaaknummer
WAHV 02-00423
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 02/00423

28 augustus 2002

CJIB 42384134

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Leeuwarden

van 17 april 2002

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. De kantonrechter heeft, uitgaande van zijn vaststelling dat de betrokkene niet binnen de in art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en dat de betrokkene evenmin binnen een nader gestelde termijn dit verzuim heeft hersteld, het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard.

3.2. De betrokkene stelt dat het stellen van zekerheid hem overbodig leek, omdat de opgelegde sanctie volgens de gemeente Sneek ten onrechte was opgelegd. Hij stelt voorts dat de brief van de officier van justitie d.d. 24 december 2001 niet inhoudt dat het niet stellen van zekerheid altijd met zich meebrengt dat het beroep bij de kantonrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard. Het hof leest dit verweer aldus, dat de betrokkene er kennelijk vanuit gaat dat sprake is van een discretionaire bevoegdheid van de kantonrechter.

3.3. Ingevolge art. 11, eerste lid, (oud) WAHV wordt een bij de officier van justitie ingediend beroepschrift door deze aan het kantongerecht ter kennis gebracht binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie, dan wel de termijn daarvoor is verstreken.

Het derde lid van art. 11 WAHV houdt in dat:

- de zekerheid wordt gesteld bij het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden (CJIB), hetzij door middel van de aan de betrokkene toegezonden acceptgiro, hetzij anderszins door storting op de rekening van het CJIB;

- de officier van justitie de indiener van het beroepschrift na de ontvangst ervan wijst op de verplichting tot zekerheidstelling en hem mededeelt dat de zekerheidstelling dient te geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van deze mededeling;

- indien de zekerheidstelling niet binnen deze termijn is geschied het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.4. Een redelijke uitleg van deze wetsbepaling brengt mee dat de voorgeschreven mededeling van de officier van justitie tenminste moet inhouden dat op grond van een wettelijk voorschrift (art. 11 WAHV) zekerheid dient te worden gesteld voor de betaling van de opgelegde sanctie en dat het bedrag van de zekerheidstelling gelijk is aan het bedrag van die sanctie, en voorts de wijze waarop en de termijn waarbinnen de zekerheid dient te worden gesteld, alsmede dat wanneer tijdige zekerheidstelling achterwege blijft het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Ten aanzien van die aan de betrokkene te verstrekken informatie kan niet worden volstaan met verwijzing naar hetgeen is vermeld op de achterzijde van de inleidende beschikking of de beslissing van de officier van justitie.

3.5. Op grond van de parlementaire geschiedenis van het huidige art. 11, derde lid, WAHV moet worden aangenomen dat ten aanzien van het vereiste van zekerheidstelling art. 6.6 Awb van toepassing is. Het beroep bij de kantonrechter wordt dan ook pas niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig voldoen aan de verplichting om zekerheid te stellen als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV als de betrokkene in de gelegenheid is gesteld het verzuim de zekerheid te voldoen te herstellen en hem, na indiening van het beroepschrift, omtrent die verplichting dus tweemaal een mededeling is gedaan.

3.6. Bij de stukken van het geding bevinden zich de in de bestreden beslissing bedoelde mededelingen omtrent de zekerheidstelling, te weten een brief van 24 december 2001 en een brief van 15 januari 2002 van de officier van justitie aan de betrokkene. De officier van justitie schrijft in de brief van 24 december 2001, zakelijk weergegeven, dat het bij de kantonrechter ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard kan worden, indien de zekerheidstelling niet binnen twee weken na verzending van de brief is geschied.

3.7. Nu de betrokkene na de brief d.d. 24 december 2001 een mededeling d.d. 15 januari 2002 heeft gekregen die, nu de betrokkene over deze brief niet klaagt, kennelijk geen onduidelijkheid verschaft omtrent de noodzaak tot het stellen van zekerheid, is het hof van oordeel dat de brief van 24 december 2001, zo deze al gebrekkig is, niet met zich meebrengt dat de betrokkene niet op grond van art. 11 WAHV, - en dus op de juiste wijze - in de gelegenheid is gesteld het bedrag aan zekerheid te betalen.

3.8. Een en ander brengt mee dat het in de bestreden beslissing liggend oordeel van de kantonrechter dat niet is voldaan aan voormeld wettelijk voorschrift juist is en dat het beroep dan ook terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

3.9. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Huisman en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr. Bennen als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.