Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE7227

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
30-08-2002
Datum publicatie
04-09-2002
Zaaknummer
BK 1017/01
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 1017/01 30 augustus 2002

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren van de belastingdienst te Groningen, vestiging Veendam (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 De belanghebbende werd voor het jaar 1999 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold, (hierna te noemen: de Wet) van ƒ 32.995,--.

1.2 Op het ingediende bezwaar van de belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 7 november 2001 belanghebbendes bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard.

1.3 De belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 30 november 2001 is ingekomen.

1.4 Het verweerschrift van de inspecteur is op 22 mei 2002 ter griffie van het gerechtshof ingekomen.

1.5 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof op 12 juli 2002, gehouden te Groningen, alwaar aanwezig waren de belanghebbende, bijgestaan door de heer A, alsmede de inspecteur.

1.6 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Aan de belanghebbende is voor het jaar 1999 een met dagtekening 3 mei 2001 aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 32.995,--. Tegen deze aanslag heeft de belanghebbende op 27 juli 2001 bij de inspecteur een bezwaarschrift ingediend. Bij de bestreden uitspraak heeft de inspecteur dit bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard. Omdat de inspecteur is gebleken dat de door B opgemaakte jaaropgave onjuist is, heeft hij het belastbare inkomen ambtshalve verminderd tot op een bedrag van ƒ 28.131,--.

2.2 In de beroepsfase heeft de inspecteur het belastbare inkomen nogmaals ambtshalve verlaagd. Blijkens de bij het verweerschrift behorende bijlage j heeft de inspecteur het belastbare inkomen thans vastgesteld op een bedrag van ƒ 26.245,--.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 Naar het gerechtshof begrijpt uit belanghebbendes beroepschrift kan de belanghebbende zich niet verenigen met de hoogte van de aan haar opgelegde (en in bezwaar ambtshalve verminderde) aanslag.

3.2 Ter zitting heeft de belanghebbende verklaard dat de hoogte van de aanslag niet meer in geschil is, maar dat zij door de ambtenaren van de belastingdienst onjuist is behandeld.

3.3 De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het in de beroepsfase ambtshalve vastgestelde belastbare inkomen moet worden gehandhaafd.

3.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Behoudens het onder punt 3.2 vermelde, hebben partijen ter zitting hun standpunten gehandhaafd zonder daaraan argumenten te hebben toegevoegd.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Ingevolge de artikelen 22j en 23 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen juncto de artikelen 6:7 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (: Awb) kan hij die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde belastingaanslag binnen zes weken na dagtekening van die aanslag een bezwaarschrift indienen.

4.2 Het aanslagbiljet is gedagtekend 3 mei 2001 en het bezwaarschrift is op 27 juli 2001 bij de inspecteur ingekomen, derhalve niet binnen zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet. Naar het oordeel van het gerechtshof heeft de belanghebbende geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan in de zin van artikel 6:11 van de Awb redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat zij in verzuim is geweest.

4.3 De inspecteur heeft de belanghebbende dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar. Reeds hierom is het beroep ongegrond.

4.4 Ten overvloede merkt het gerechtshof op dat - zoals ter zitting is gebleken - de hoogte van het in de beroepsfase ambtshalve vastgestelde belastbare inkomen ad ƒ 26.245,-- thans niet meer in geschil is.

5. De proceskosten

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 30 augustus 2002 door prof. mr. E. Aardema, vice-president, in tegenwoordigheid van de griffier mevr. mr. M. Hiemstra en op die dag in het openbaar uitgesproken en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Op 4 september 2002 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.