Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE7085

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-08-2002
Datum publicatie
02-09-2002
Zaaknummer
WAHV 02-00197T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 02/00197

16 augustus 2002

CJIB 40660077

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Amsterdam

van 20 november 2001

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [plaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De betrokkene is opgeroepen tegen de zitting van 2 augustus 2002, onder mededeling dat ter zitting uitsluitend de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde komt. Vervolgens is de betrokkene door de griffier van het hof meegedeeld, dat de behandeling van de zaak ter zitting van 2 augustus 2002 niet beperkt zal blijven tot de ontvankelijkheidsvraag en is aan de betrokkene het door de betrokkene gewenste bewijs, in de vorm van het zaakoverzicht, toegezonden.

Bij brief van 21 juli 2002, ingekomen op 2 augustus 2002, heeft de betrokkene gereageerd op het toegezonden zaakoverzicht.

De zaak is behandeld ter zitting van 2 augustus 2002. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen dhr. W.K. Vlietstra. De betrokkene is niet verschenen.

Na de behandeling ter zitting heeft de voorzitter de zaak ter behandeling verwezen naar de meervoudige kamer.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van f 140,- (63,53 euro) opgelegd ter zake van "parkeren op invalidenparkeerplaats anders dan met het voor die gereserveerde invalidenparkeerplaats bestemde voertuig", welke gedraging zou zijn verricht op 25 januari 2001 op de Willemsparkweg te Amsterdam, met het voertuig gekentekend [kenteken].

3.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 WAHV (oud) kan tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan ƒ 150,--, of indien de betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt ƒ 140,00.

3.3. De betrokkene klaagt in haar hoger beroepschrift over het feit dat haar door de officier van justitie geen bewijsstukken zijn toegezonden.

3.4. Artikel 11, vierde lid, (oud) WAHV bepaalt, dat alle op een beroepschrift betrekking hebbende stukken, indien zekerheidstelling heeft plaatsgevonden, worden nedergelegd ter griffie van het kantongerecht. Hiervan wordt door de griffier mededeling gedaan aan degene die het beroep heeft ingesteld. De betrokkene of zijn gemachtigde kan binnen een door de kantonrechter bepaalde en aan hem door de griffier medegedeelde termijn, deze stukken inzien en daarvan afschriften of uittreksels vragen.

3.5. Bij het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie heeft de betrokkene gerefereerd aan haar eerdere schrijven van 4 april 2001, waarin om het wettige en overtuigende bewijs is gevraagd, en gesteld dat aan dat verzoek geen gehoor is gegeven. De betrokkene verzoekt de officier van justitie om dit verzoek te behandelen. Ten onrechte is aan dit verzoek geen gevolg gegeven.

3.6. Het hof is van oordeel dat (een beroep op) schending van zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling doorbreking van het appelverbod van art. 14, eerste lid, WAHV wettigt. Onder omstandigheden kan een dergelijke schending gelegen zijn in het niet op verzoek verstrekken van essentiële processtukken, zoals bijvoorbeeld het zaakoverzicht.

3.7. De betrokkene - in de persoon van [persoon] - heeft een en andermaal en tot en met het hoger beroepschrift gesteld als gevolg van het ontbreken van enig bewijsstuk niet in staat te zijn gesteld tot inhoudelijk verweer. Naar het oordeel van het hof heeft de betrokkene op grond van het aan haar onthouden van een essentieel processtuk als het zgn. zaakoverzicht met recht en reden kunnen stellen niet tot zodanig verweer in staat te zijn geweest. Aldus heeft de kantonrechter zo fundamentele beginselen van een behoorlijke rechtspleging geschonden dat er moet worden geoordeeld dat er geen sprake is geweest van een eerlijke en onpartijdige behandeling. Voor een doorbreking van het appelverbod van art. 14, eerste lid, WAHV is derhalve plaats.

3.8. Gelet op het vorenoverwogene komt het hof toe aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak. In acht nemende de omstandigheid dat de schriftelijke reactie van de betrokkene op het toegezonden zaakoverzicht ter zitting van 2 augustus 2002 niet voorhanden was en ook de gemachtigde van de advocaat-generaal mitsdien geen gelegenheid heeft gehad hierop te reageren, zal het hof onder aanhouding van iedere verdere beslissing de advocaat-generaal in de gelegenheid stellen te reageren op voornoemd schrijven van 21 juli 2002. Vervolgens zal de behandeling van de zaak op een nader te bepalen tijdstip worden hervat.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

doet de advocaat-generaal een afschrift toekomen van het schrijven van de betrokkene van 21 juli 2002;

stelt de advocaat-generaal in de gelegenheid binnen twee weken na dagtekening van dit arrest schriftelijk te reageren op voormeld schrijven van 21 juli 2002;

bepaalt dat de verdere behandeling van de zaak zal plaatsvinden op een nader te bepalen zitting;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gegeven door mrs. Weenink, als voorzitter, Vellinga en Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.