Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE6908

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-08-2002
Datum publicatie
28-08-2002
Zaaknummer
BK 641/02
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 641/02 23 augustus 2002

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van de heer X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Particulieren van de belastingdienst te Leeuwarden (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998.

1. Ontstaan en loop van het geding

Belanghebbende werd voor het jaar 1998 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold, (hierna te noemen: de Wet) van ƒ 75.395, -.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 8 februari 2002 de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 74.528, -.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlage), hetwelk op 13 maart 2002 is ingekomen.

Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) had ingezonden, heeft belanghebbende op 23 mei 2002 nadere stukken ingediend, waarvan een afschrift is verstuurd naar de inspecteur. Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 18 juni 2002, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig was de inspecteur. Bij fax van 17 juni 2002 heeft belanghebbende aangegeven door ziekte niet in staat te zijn de mondelinge behandeling bij te wonen. De inspecteur heeft ter zitting de aan belanghebbende verstuurde brief van 29 april 2002 overgelegd.

Van alle vermelde (en hierna nog te vermelden) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Belanghebbende is tot 19 mei 1998 gehuwd geweest met mevrouw A. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren, een zoon op 30 april 19.. en een dochter op 30 maart 19...

2.2 De inspecteur heeft bij aanslag van 24 april 2001 het belastbaar inkomen van belanghebbende over 1998 vastgesteld op ƒ 75.395, -, waarin opgenomen de door mevrouw A en de kinderen ontvangen rente in 1998, gecorrigeerd met rentevrijstellingen. De inspecteur heeft de door belanghebbende in zijn aangifte geclaimde aftrek van levensonderhoud ten bedrage van ƒ 4.600, - geweigerd.

2.3 Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de in punt 2.2 vermelde aanslag. Bij uitspraak op dit bezwaar van 8 februari 2002 heeft de inspecteur de hoogte van het belastbaar inkomen als volgt vastgesteld op ƒ 74.528, -:

ƒ 75.395, -

Lager bedrag aan door belanghebbende ontvangen rente -/- ƒ 155, -

Lager bedrag aan door mevrouw A en kinderen ontvangen rente -/- ƒ 37, -

Aftrek buitengewone lasten wegens levensonderhoud dochter -/- ƒ 675, -

ƒ 74.528, -

In deze berekening van het belastbaar inkomen heeft de inspecteur de door mevrouw A en de kinderen ontvangen rente, welke is ontvangen vóór 19 mei 1998, toegerekend aan belanghebbende gelet op de hoogte van zijn persoonlijke inkomen.

2.4 Mevrouw A heeft op 20 december 2001 bezwaar gemaakt tegen de in punt 2.2 vermelde aan belanghebbende opgelegde aanslag. Zij is wegens termijnoverschrijding bij uitspraak van 18 april 2002 door de inspecteur niet-ontvankelijk verklaard. Ambtshalve is haar bezwaar beoordeeld, hetgeen ertoe heeft geleid dat aan haar inhoudelijk bezwaar niet tegemoet gekomen is.

2.5 Bij ambtshalve verleende vermindering van 12 april 2002 heeft de inspecteur het belastbaar inkomen van belanghebbende vastgesteld op ƒ 72.528, - door alsnog een bedrag van ƒ 2.000, - aan alimentatie in aftrek toe te laten. Bij de ter zitting overgelegde brief van 29 april 2002 heeft de inspecteur aan belanghebbende bericht dat deze aftrekpost gelet op het inkomen en vermogen van de voormalige echtgenote ten onrechte is verleend.

3. Het geschil en standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur zijn uitspraak op bezwaar zorgvuldig en voldoende heeft gemotiveerd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en stelt daartoe dat de inspecteur in zijn motivering ten onrechte voorbij is gegaan aan de persoonlijke situatie van zijn echtgenote zoals die is verwoord in haar bezwaar tegen de aan belanghebbende opgelegde aanslag van 24 april 2001. Naar belanghebbendes mening had de inspecteur in zijn in de onderhavige procedure bestreden uitspraak rekening moeten houden met de nog te nemen beslissing op het gemotiveerde bezwaar van zijn voormalige echtgenote.

De inspecteur heeft daartegenover in zijn verweerschrift aangevoerd dat het bezwaar van de voormalige echtgenote tegen de onderhavige aanslag niet relevant is voor de door belanghebbende ingestelde bezwaar- en beroepsprocedure gericht tegen de onderhavige aanslag.

3.2 Tevens is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende in de periode van 1 januari 1998 tot 19 mei 1998 duurzaam gescheiden van zijn toenmalige echtgenote heeft geleefd. Belanghebbende is van mening dat daarvan sprake is. Hij verwijst in zijn bezwaarschrift voor de motivering van zijn standpunt naar het bezwaarschrift en naar het beroepschrift inzake de aanslag voor de vermogensbelasting 1998. De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat belanghebbende in voormelde periode niet duurzaam gescheiden van mevrouw A heeft geleefd. Hij voert daarvoor de in punt 4.4 vermelde uitspraken en arresten aan.

3.3 Indien het hof belanghebbende volgt in zijn onder 3.2 vermelde standpunt en dientengevolge de hoogte van het belastbaar inkomen van belanghebbende vaststelt zonder rekening te houden met de inkomensbestanddelen van mevrouw A, staat de inspecteur, zoals verwoord in zijn verweerschrift, interne compensatie voor met betrekking tot de in punt 2.5 vermelde ambtshalve verleende vermindering van ƒ 2.000, -. Belanghebbende is van mening dat hij hierdoor processueel benadeeld wordt, nu hij niet meer in staat is schriftelijk te reageren op dit standpunt van de inspecteur.

3.4 De hoogte van de correcties, die de inspecteur in zijn uitspraak voorstaat, is tussen partijen niet in geschil.

3.5 Voor een nadere onderbouwing van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil

Vooreerst en vooraf:

4.1 Belanghebbende doet aan het hof het verzoek tot verwijzing van zijn beroep naar een ander hof. Dit verzoek vindt geen steun in artikel 8:13 van de Algemene wet bestuursrecht, zodat het hof aan dit verzoek voorbij gaat.

Aangaande het eigenlijke geschil:

4.2 Artikel 23, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (: AWR) bepaalt dat een bezwaarschrift mede kan worden ingediend door degene van wie inkomensbestanddelen zijn begrepen in het voorwerp van de belasting, waarop de belastingaanslag betrekking heeft. Naar het oordeel van het hof biedt voormeld lid van artikel 23 AWR geen grond voor het onder punt 3.1 verwoorde standpunt van belanghebbende. Het hof is van oordeel dat de inspecteur door te verwijzen naar de betreffende uitspraken van het hof en de arresten van de Hoge Raad de onderhavige uitspraak voldoende en zorgvuldig heeft gemotiveerd. Van strijdigheid met algemene beginselen van behoorlijk bestuur is niet gebleken.

4.3 Belanghebbende volstaat ter motivering van zijn onder punt 3.2 omschreven standpunt met een verwijzing naar het bezwaarschrift en naar het beroepschrift betreffende de aanslag voor de vermogensbelasting 1998. Nu belanghebbende geen afschrift van voormelde stukken heeft overgelegd, kan hij niet geacht worden grieven te hebben aangevoerd, zodat het hof dit beroep van belanghebbende verwerpt.

4.4 Ten overvloede overweegt het hof het volgende:

Het hof heeft bij uitspraken van 11 juni 1999, nummers BK 198/94, BK 199/94 en BK 1142/98, geoordeeld dat belanghebbende in de jaren 1991, 1992 en 1996 niet duurzaam gescheiden van zijn toenmalige echtgenote leefde. De Hoge Raad heeft bij arresten van 27 september 2000, 35.473, 35.475 en 35.477 het cassatieberoep van belanghebbende tegen voormelde uitspraken verworpen. Eveneens was het hof bij mondelinge uitspraak van 18 september 2001, BK 52/00, voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1993, 1994, 1995 en 1997 en voor de vermogensbelasting 1998 van oordeel dat belanghebbende in die jaren niet duurzaam gescheiden leefde van zijn toenmalige echtgenote. Het hof heeft in het onderhavige beroep geen grond aanwezig bevonden om zich in zijn oordeel niet aan te sluiten bij voormelde uitspraken en arresten, zodat het gelijk wat betreft het standpunt van het duurzaam gescheiden leven aan de inspecteur is.

4.5 Aan de beoordeling van de door de inspecteur bepleite interne compensatie komt het hof niet toe. De grief van belanghebbende daartegen behoeft derhalve geen bespreking.

4.6 Gelet op de door de inspecteur ambtshalve verleende vermindering van het belastbaar inkomen van 12 april 2002 treft het beroep van belanghebbende ten dele doel. Het beroep is ten dele gegrond.

4.7 Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. De beslissing

Het hof verklaart het beroep ten dele gegrond;

vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

handhaaft de aanslag zoals deze is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 72.528, -; en

gelast de inspecteur het griffierecht ad € 29, - aan belanghebbende te vergoeden.

Gedaan op 23 augustus 2002 door mr. Fransen, als voorzitter en raadsheer, mr. Drion, raadsheer, en mr. Wolt, raadsheer-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van de griffier mr. De Jong-Braaksma en op die dag in het openbaar uitgesproken en ondertekend door voornoemde voorzitter, zijnde voornoemde griffier buiten staat te ondertekenen.

Op 28 augustus 2002 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.