Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE6906

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-08-2002
Datum publicatie
28-08-2002
Zaaknummer
BK 169/01
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2002/42.2.5
FutD 2002-1701
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: 169/01 23 augustus 2002

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Den Haag (hierna: de inspec-teur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1998.

1. Ontstaan en loop van het geding

Belanghebbende werd voor het jaar 1998 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna te noemen: de Wet) van f 137.865,-.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 28 december 2000 de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 134.543,-. Hierbij deelde de inspecteur mede dat beroep kon worden ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 4 januari 2001 is ingekomen bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De griffier van dat Gerechtshof heeft het beroepschrift doorgezonden naar het Gerechtshof te Leeuwarden ter verdere behandeling, waar het op 1 maart 2001 is binnengekomen. Gelet op artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht is dit beroepschrift als tijdig aangemerkt.

Het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Groningen (: de Inspecteur) heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend. De eerste mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 11 januari 2002 van de tweede enkelvoudige kamer, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Belanghebbende heeft vervolgens bij brief van 12 januari 2002 zijn standpunt nader uiteengezet, op welke brief de Inspecteur heeft gereageerd bij brief van 11 maart 2002 (met bijlagen).

Vervolgens heeft de mondelinge behandeling na verwijzing door de enkelvoudige kamer plaatsgevonden ter zitting van 28 februari 2002 van de tweede meervoudige kamer, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Ter laatstgenoemde zitting heeft belanghebbende een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

2.1 Het hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.2 Belanghebbende, geboren op 5 augustus 1934 en gehuwd, geniet sinds 1984, na functioneel leeftijdsontslag uit A, een uitkering van de USZO.

2.3 Naast de USZO-uitkering geniet belanghebbende onder meer inkomsten uit tegenwoordige arbeid van zijn werkgever B B.V. (: B). Deze werkgever stelt hem voor zijn werkzaamheden een personenauto ter beschikking.

2.4 ABP/USZO houdt bij de bepaling van de hoogte van de uitkering rekening met het privé-gebruik van de personenauto welke door de werkgever ter beschikking is gesteld. De uitkering wordt gekort.

2.5 In de jaren 1994 tot en met 1998 is de USZO-uitkering in verband met genoemd privé-gebruik jaarlijks gekort met f 9.930,-, in totaal derhalve met f 49.650,-. De op deze wijze gekorte uitkering is als inkomsten uit vroegere arbeid in het belastbare inkomen begrepen.

2.6 In het onderhavige jaar heeft belanghebbende geen bedragen aan ten onrechte genoten uitkering, ten gevolge van het ter beschikking hebben van een personenauto van zijn werkgever, aan ABP/USZO terugbetaald.

2.7 Ter bepaling van de hoogte van de USZO-uitkering is voorts door de USZO rekening gehouden met de door B gemaakte winst. Belanghebbende is directeur en enig aandeelhouder van deze B.V.. In eerste instantie heeft de USZO het bedrag aan winst vóór vennootschapsbelasting in aanmerking genomen. Belanghebbende heeft hier vervolgens over geprocedeerd waarbij hij het standpunt innam dat het bedrag na vennootschapsbelasting in aanmerking moest worden genomen. De Centrale Raad van Beroep heeft belanghebbende bij uitspraak van 9 oktober 1997 op dit punt in het gelijk gesteld. De USZO heeft vervolgens uitgerekend welke bedragen achteraf ten onrechte zijn gekort op de uitkering. Dit heeft in het jaar 1998 geleid tot nabetalingen over de jaren 1991, 1992 en 1993. Deze nabetalingen zijn verwerkt in de jaaropgave over het jaar 1998.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

a. Kan de onder 2.5 genoemde totale korting van f 49.650,- in mindering worden gebracht op het belastbare inkomen over het jaar 1998?

b. Zijn de onder 2.7 genoemde nabetalingen ten onrechte verwerkt in de jaaropgave over het jaar 1998?

Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de inspecteur ontkennend.

3.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Partijen hebben overigens ter zitting van 27 juni 2002 geen nieuwe argumenten toegevoegd.

3.3 Belanghebbende concludeert tot verlaging van de aanslag.

De inspecteur concludeert primair tot bevestiging van zijn uitspraak en subsidiair tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 124.613,-.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Gelet op het onder 2.5, tweede volzin, vermelde is er geen enkele reden een bedrag van f 49.650,- in mindering te brengen op het belastbare inkomen over het jaar 1998. Belanghebbende is immers in totaal voor niet meer belast dan hij heeft genoten.

4.2 De door belanghebbende in zijn brief van 12 januari 2002 genoemde argumenten kunnen niet leiden tot het oordeel dat de onder 2.7 genoemde nabetalingen ten onrechte zijn verwerkt in de jaaropgave over het jaar 1998. De gestelde omstandigheid dat de nabetalingen na ontvangst zijn teruggestort op de rekening van B, houdt niet in dat deze nabetalingen niet eerst door belanghebbende genoten zijn.

4.3 Gelet op het voorgaande dient te worden beslist als hierna te vermelden.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 23 augustus 2002 door mr. H.S. Pruiksma, vice-president en voorzitter, mr. F.J.W. Drion en mr. J. Huiskes, raadsheren, in tegenwoordigheid van de griffier M. Haarsma en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Op 28 augustus 2002 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.