Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE6881

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-08-2002
Datum publicatie
27-08-2002
Zaaknummer
WAHV 02-00244
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:9, geldigheid: 2002-08-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2002, 190

Uitspraak

WAHV 02/00244

7 augustus 2002

CJIB 36076887

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te 's-Hertogenbosch

van 12 december 2001

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Hertogenbosch niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge art. 14, eerste lid, WAHV in verbinding met het in de artt. 6:24, 6:7 en 6:8 Awb bepaalde dient het hoger beroep te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de bestreden beslissing aan de betrokkene is toegezonden.

3.2. De bestreden beslissing is blijkens een aantekening van de griffier van de rechtbank op 2 januari 2002 aan de betrokkene toegezonden. De beroepstermijn eindigde derhalve op 13 februari 2002. Het beroepschrift, gedateerd 12 februari 2002, is blijkens het daarop geplaatste stempel op 15 februari 2002 en derhalve na afloop van de beroepstermijn ter griffie van de rechtbank ontvangen.

3.3. Het te dezen toepasselijke art. 6:9 Awb bepaalt, voor zover hier van belang, dat bij verzending per post het beroepschrift tijdig is ingediend, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

3.4. Een poststuk is niet eerst ter post bezorgd, nadat het van een poststempel is voorzien, maar het is reeds ter post bezorgd op het moment dat het in de brievenbus is gedeponeerd dan wel op het moment dat het op het postkantoor is aangeboden (vgl. Hoge Raad 29 mei 1996, JB 1996/171).

3.5. De enveloppe waarin het beroepschrift is verzonden is blijkens het daarop geplaatste poststempel op 14 februari 2002 en derhalve één dag na afloop van de beroepstermijn afgestempeld.

3.6. Deze omstandigheid sluit echter niet uit dat de brief op 13 februari 2002 na de lichting in de brievenbus is gedeponeerd. In het onderhavige geval valt derhalve niet uit te sluiten dat het beroepschrift op 13 februari 2002 en derhalve binnen de beroepstermijn ter post is bezorgd. Nu het beroepschrift niet later dan een week na afloop van de beroepstermijn is ontvangen, acht het hof de betrokkene ontvankelijk in het hoger beroep.

3.7. Ingevolge art. 9, eerste lid, WAHV in verbinding met het in de artt. 6:7 en 6:8 Awb bepaalde dient het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de bestreden beslissing aan de betrokkene is toegezonden.

3.8. Het beroepschrift is gedateerd 5 februari 2001 en de envelop waarin het beroepschrift is verzonden is blijkens het daarop geplaatste poststempel op 12 maart 2001 afgestempeld. Blijkens een daarop gesteld stempel is het beroepschrift op 13 maart 2001 door de officier van justitie ontvangen. Aangezien de beslissing van de officier van justitie op 28 december 2000 aan de betrokkene is toegezonden, is het beroepschrift niet tijdig ingediend.

3.9. Bij brief van 30 juli 2001 heeft de betrokkene -zakelijk weergegeven- aangevoerd, dat hij het beroepschrift tijdig heeft opgesteld en per post heeft verstuurd, dat hij niet inziet waarom het eerst op 13 maart 2001 door de officier van justitie is ontvangen en dat een mogelijke verklaring hiervoor is dat de PTT een fout heeft gemaakt.

3.10. Nu de envelop waarin het beroepschrift is verzonden op 12 maart 2001 is gestempeld, moet ervan worden uitgegaan dat het beroepschrift rond 11 en 12 maart 2001 ter post is bezorgd. Gelet hierop is niet aannemelijk dat de betrokkene het beroepschrift tijdig heeft verstuurd. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs. Vellinga, Dijkstra en Huisman, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.