Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE6806

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-08-2002
Datum publicatie
22-08-2002
Zaaknummer
Rolnummer 0100015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2002, 46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 21 augustus 2002

Rolnummer 0100015

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr J.V. van Ophem,

tegen

1. De maatschap naar burgerlijk recht [geïntimeerde 1]

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats]

2. de besloten vennootschap [geïntimeerde 2],

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats],

3. [geïntimeerde 3],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

procureur: mr J. de Goede.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 3 oktober 2000 door de rechtbank te Assen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 28 december 2000 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerden] tegen de zitting van 10 januari 2001.

Bij memorie van grieven is een groot aantal producties overgelegd. De conclusie van deze memorie luidt:

"te vernietigen het vonnis d.d. 3 oktober 2000 door de Rechtbank te Assen uitgesproken tussen appellant als eiser en geïntimeerde als gedaagde, en opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad:

Geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan appellant, het bedrag van ƒ 116.396,90, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 december 1992 tot aan de dag der algehele voldoening, zulks met veroordeling van geïntimeerde in de -concrete- kosten van beide instanties nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerden] , onder overlegging van producties, verweer gevoerd met als conclusie:

"het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Assen tussen partijen gewezen op 3 oktober 2000 te bekrachtigen, voor zoveel nodig met verbetering van gronden, met afwijzing van de vorderingen van [appellant] en met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep."

Voorts hebben beide partijen een akte genomen.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft vijf grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. Op de verdere behandeling van de onderhavige procedure is het procesrecht van toepassing zoals dat gold tot 1 januari 2002.

2. Tegen de vaststaande feiten als weergegeven onder overweging 2 van het beroepen vonnis is geen grief ontwikkeld, zodat ook in dit hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

3. De grieven hebben de kennelijke strekking het geschil in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor te leggen. Ze zullen daarom gezamenlijk worden behandeld.

4. In de onderhavige procedure ligt de vraag ter beantwoording voor of [geïntimeerde 3], dan wel [voormalige raadsman] als voormalig raadslieden van [appellant], jegens [appellant] in het kader van de afwikkeling van het [appellant] overkomen arbeidsongeval toerekenbaar zijn tekortgeschoten in hun taakvervulling, dan wel onrechtmatig hebben gehandeld door [appellant] te adviseren akkoord te gaan met het vergoeden door Aegon (de AVB-verzekeraar van de werkgever van [appellant] ) van 75 % van de door [appellant] geleden schade.

5. Bij de beantwoording van die vraag dient uitgangspunt te zijn of [geïntimeerden] hun werkzaamheden hebben uitgevoerd zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot (advocaat) mocht worden verwacht.

6. Onweersproken staat tussen partijen vast dat de aansprakelijkheid van de werkgever van [appellant] voor de gevolgen van het ongeval dat [appellant] is overkomen moest worden beoordeeld aan de hand van het ten tijde van het ongeval geldende artikel 7A:1638x (oud) BW.

7. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 9 januari 1987, NJ 1987,948 moest in 1995 als geldend recht worden aanvaard dat de werkgever - indien komt vast te staan dat hij zijn in het eerste lid van artikel 7A:1638 x (oud) BW bedoelde verplichtingen niet is nagekomen - tot vergoeding van de gehele schade van de werknemer is gehouden, tenzij door hem het aan het slot van het tweede lid van dat artikel bedoelde tegenbewijs (overmacht aan de zijde van de werkgever of grove schuld van de arbeider) wordt geleverd. Voor weging van wederzijdse schuld was dus geen ruimte. Het was alles of niets.

8. In zijn arrest van 27 maart 1992, NJ 1992,496 heeft de Hoge Raad beslist dat onder grove schuld als bedoeld in lid 2 van artikel 7A:1638x BW (oud) moet worden verstaan: opzet of bewuste roekeloosheid. Eerst in zijn arrest van 20 september 1996, NJ 1997,198 heeft de Hoge Raad aan het begrip "bewuste roekeloosheid" nader inhoud gegeven door te beslissen dat van bewuste roekeloosheid slechts dan sprake is indien de werknemer zich tijdens het verrichten van zijn onmiddellijk aan het ongeval voorafgaande gedraging van het roekeloos karakter van die gedraging daadwerkelijk bewust is. Daarmee heeft dit begrip een zo enge betekenis gekregen dat er nauwelijks nog dergelijke gevallen denkbaar zijn. Uit de aan bedoeld arrest van 20 september 1996 voorafgaande uitspraken van de kantonrechter en de rechtbank en uit de aan een soortgelijke uitspraak van de Hoge Raad van 11 september 1998, NJ 1998,870 voorafgaande uitspraken van een andere kantonrechter en een andere rechtbank blijkt dat door de lagere rechtspraak voordien een ruimere uitleg werd gegeven aan bedoeld begrip. Tegen die achtergrond is het niet onbegrijpelijk dat er bij [geïntimeerden] in 1995 enige twijfel bestond ten aanzien van de vraag hoe in een eventuele gerechtelijke procedure het feit dat [appellant] ten tijde van het hem overkomen ongeval geen helm droeg zou worden beoordeeld. Daarbij dient te worden bedacht dat - zoals [geïntimeerden] bij conclusie van dupliek hebben aangegeven en door [appellant] (in hoger beroep) niet wordt betwist - voor [appellant] de verplichting bestond om op de bouwplaats een helm te dragen, met name wanneer er -zoals ten tijde van het onderhavige ongeval - met steigers werd gewerkt, alsmede dat hij -zoals blijkt uit de bij memorie van grieven als productie 10 overgelegde verklaringen - desondanks samen met zijn collega [collega] op de bouwplaats in Stadskanaal zonder helm aan het werk is gegaan.

9. Daarbij komt dat - zoals onweersproken door [geïntimeerden] is gesteld - de werkgever en diens verzekeraar aansprakelijkheid primair hebben afgewezen en zich subsidiair op het standpunt hebben gesteld dat er sprake was van grove schuld aan de zijde van [appellant]. [geïntimeerden] hebben derhalve redelijkerwijs de inschatting kunnen maken dat - indien geen minnelijke regeling zou worden getroffen - een rechtsgeding (met eventueel een procedure in hoger beroep en mogelijk cassatie) met een niet geheel zekere afloop in het verschiet lag.

10. Alhoewel - zoals hiervoor is aangegeven - een schuldverdeling op basis van artikel 7A:1638x (oud) BW niet tot de mogelijkheden behoorde, hebben [geïntimeerden] derhalve op goede gronden aan [appellant] kunnen adviseren om met de regeling (75 % van de schade wordt vergoed) akkoord te gaan, nu daarmede de kwade kansen van een procedure en het daarmee gepaard gaande tijdsverlies werden afgekocht. Dat in het kader van die voorgestelde regeling is gesproken over "schulddeling" acht het hof niet van doorslaggevende betekenis. Het hof wijst er in dat verband op dat in de uiteindelijk door [appellant] getekende vaststellingsovereenkomst bedoeld begrip niet wordt gehanteerd.

11. Het hof is daarom van oordeel dat er onvoldoende gronden zijn om te concluderen dat [geïntimeerden] hun werkzaamheden niet hebben uitgevoerd zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot (advocaat) mocht worden verwacht.

Zulks impliceert dat de grieven falen en dat aan de - in een laat stadium van de procedure opgeworpen - vraag of [appellant] al dan niet een uitvoerende, danwel toezichthoudende taak op de bewuste bouwplaats had, kan worden voorbijgegaan.

Slotsom:

12. Het beroepen vonnis dient - onder verbetering van gronden - te worden bekrachtigd.

[appellant] zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure in hoger beroep.

Beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van deze procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 1.374,95 aan verschotten en op € 2.110,08 aan salaris voor de procureur.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Zuidema en Meijeringh, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 21 augustus 2002.