Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE6801

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-08-2002
Datum publicatie
22-08-2002
Zaaknummer
Rolnummer 0100001
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 21 augustus 2002

Rolnummer 0100001

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal appel en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr O.C. Struif,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

3. [geïntimeerde 3],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden in het principaal appel en appellanten in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

procureur: mr P. Stehouwer.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 26 mei 2000 en op 13 oktober 2000 door de rechtbank te Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 14 december 2000 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis d.d. 13 oktober 2000 met dagvaarding van [geïntimeerden] tegen de zitting van 3 januari 20001.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"het vonnis op 13 oktober 2000 door de Arrondissementsrechtbank te Groningen tussen partijen onder registratienummer 44895 / HA ZA 00 / 204 / VR gewezen, te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, bij arrest, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

In conventie:

geïntimeerden alsnog in hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans hen deze te ontzeggen;

In reconventie:

drie deskundigen te benoemen die met inachtneming van de erfpachtakte tussen partijen van 10 september 1984 en het vonnis van de Arrondissmentsrechtbank te Groningen van 4 december 1998 de hoogte van de kanon kunnen vaststellen;

In conventie en reconventie: geïntimeerden te veroordelen in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerden] verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie:

"in principaal appel:

niet te ontvangen in diens appel, althans hem dit te ontzeggen en dit ongegrond te verklaren en

in incidenteel appel:

het vonnis van de rechtbank Groningen in zoverre te wijzigen dat weliswaar de veroordeling in stand blijft, maar dat [appellant] wordt veroordeeld om de wettelijke rente te voldoen vanaf de respectieve vervaldagen van de respectieve onbetaald gebleven delen van de erfpachtscanon tot aan de dag der algehele voldoening.

in principaal en incidenteel appel: met veroordeling van principaal appellant en incidenteel geïntimeerde in de kosten van dit geding."

[appellant] heeft een memorie van antwoord in het incidenteel appel genomen, met als conclusie:

"indien en voor zover het principaal appèl wordt verworpen, het vonnis van de Rechtbank Groningen, wat betreft de veroordeling tot betaling van rente, zo nodig onder aanvulling en verbetering van gronden te bekrachtigen."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft in het principaal appel zes grieven opgeworpen.

[geïntimeerden] hebben in het incidenteel appel één grief opgeworpen.

De beoordeling

1. Op deze procedure is het procesrecht van toepassing zoals dat gold tot 1 januari 2002.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het principaal appel:

2. [geïntimeerden] hebben zich primair op het standpunt gesteld dat [appellant] niet ontvankelijk is in zijn appel omdat hij zou hebben berust in het beroepen vonnis door per 1 november 2000 (en ook per 1 mei 2001) de canon te betalen conform hetgeen door de rechtbank in het beroepen vonnis is beslist.

3. Het hof kan [geïntimeerden] in deze redenering niet volgen. Van berusting is slechts sprake als van de wil daartoe ondubbelzinnig blijkt. Het feit dat [appellant] bij het betalen van zijn canon per 1 november 2000 heeft voldaan aan het vonnis van 13 oktober 2000, waarvan hij op 14 december 2000 appel heeft ingesteld, alsmede dat hij - hangende de appelprocedure - per 1 mei 2001 andermaal aan dat vonnis heeft voldaan, is onvoldoende op berusting aan te nemen. Het beroepen vonnis heeft immers, zolang dat in appel niet is vernietigd, rechtskracht.

4. Tegen de vaststaande feiten als weergegeven onder overweging 2 (a t/m d) van het beroepen vonnis is geen grief ontwikkeld, zodat ook in dit hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

Voorts staat, op grond van de inhoud van het onder de feiten onder 2 c bedoelde (bij conclusie van eis in eerste aanleg als productie overgelegd) vonnis van 4 december 1998, het volgende vast:

- Onder de vaststaande feiten is opgenomen dat de canon laatstelijk (met ingang van 1 november 1994 ) is gewijzigd en vastgesteld op hfl. 1.159,--.

- Onder overweging 3 geeft de rechtbank het standpunt van [appellant] als volgt weer: "Gelet op artikel 5:79 BW kan er geen wijziging worden aangebracht in de erfpachtvoorwaarden. Nu het Pachtnormenbesluit 1977 is ingetrokken en vervangen door het Pachtnormenbesluit 1995 dient dit besluit uitgangspunt te zijn. Uitgaande van de vrije verkeerswaarde van hfl. 40.000,-- per hectare dient de canon ingevolge artikel 2 lid 2 van het Pachtnormenbesluit 1995 vastgesteld te worden op hfl. 1074,-- per hectare per jaar."

- Onder rechtsoverweging 4.1 overweegt de rechtbank onder meer het volgende:

"De bezwaren van [appellant] tegen de indexering krachtens het Pachtnormenbesluit 1995 lijken veeleer te zijn ingegeven door het standpunt van [appellant] dat het Pachtnormenbesluit 1995 er toe dient te leiden dat de canon verlaagd wordt. Dit raakt echter niet de indexering als zodanig, maar de vaststelling van de canon dan wel de cesuur tussen het oude en het nieuwe besluit."

Onder 4.4 overweegt de rechtbank het volgende:

- "Het door [appellant] aangehaalde artikel 2 lid 2 van het Pachtnormenbesluit ziet op de vaststelling van de maximale pachtprijs. De vordering van [appellant] tot verlaging van de canon ziet naar het oordeel van de rechtbank voorbij aan de volgende feiten en omstandigheden:

-partijen zijn destijds bij het vestigen van de erfpacht een (aanmerkelijk) hogere canon overeengekomen dan de maximale pachtprijs conform het Pachtnormenbesluit 1977;

-in de akte is destijds uitsluitend met het oog op de indexering verwezen naar het Pachtnormenbesluit 1977;

-het Pachtnormenbesluit 1995 gaat gelet op artikel 2 lid 1 van dit besluit in beginsel uit van een verhoging van 15 % van de pachtprijs per 1 november 1995."

- Onder 4.5 overweegt de rechtbank vervolgens:

"Dit alles in aanmerking nemende moet de vordering tot verlaging van de canon per 1 november 1995 worden afgewezen."

- Artikel 2 van de onderhaige erfpachtsakte bepaalt het volgende:

"Indien enige ingevolge deze akete verschuldigde betaling niet uiterlijk op de daarvoor gestelde vervaldag door de erfpachter is voldaan, is laatstgenoemde over het opeisbaar geworden bedrag aan de grondeigenaar een rente verschuldigd, gelijk aan de wettelijke rente, te rekenen van de vervaldag tot de datum van betaling, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 8."

Met betrekking tot de grieven in het principaal appel:

5. De grieven leggen het geschil in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor. Zij lenen zich derhalve voor gezamenlijke behandeling.

6. Tegen het onder de vaststaande feiten vermelde vonnis van 4 december 1998 is geen hoger beroep ingesteld. Dit vonnis is derhalve in kracht van gewijsde gegaan en heeft, nu het is gewezen tussen de rechtsvoorganger van [geïntimeerden] en [appellant] en dezelfde rechtsbetrekking betreft die ook in het onderhavige geding in geschil is, in deze procedure tussen partijen bindende kracht (gezag van gewijsde).

Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank Groningen in bedoeld vonnis onder 4.1, 4.4 en 4.5 heeft overwogen (zie hiervoor onder de vaststaande feiten) en hetgeen de rechtbank vervolgens in bedoeld vonnis onder 1 in het dictum voor recht heeft verklaard ("dat de tussen partijen geldende erfpachtcanon zal stijgen of dalen met een percentage gelijk aan dat hetwelk geldt ten aanzien van pachtnormen geldend conform het Pachtnormenbesluit 1995"), brengt zulks mede dat het hof het standpunt van [appellant], als verwoord in de grieven 1, 2, 4 en 5 en de daarop gegeven toelichting, niet kan volgen en dat deze grieven falen.

7. Het hof stelt voorop dat de rechter bij toepassing van lid 2 van artikel 6:248 BW de nodige terughoudendheid dient te betrachten. In casu doet zich de situatie voor dat [appellant] destijds (bij het passeren van de akte waarbij de erfpacht werd aangegaan) heeft ingestemd met een - zoals de rechtbank heeft vastgesteld en in appel niet is bestreden - voor die tijd hoge erfpachtcanon en met indexering conform het Pachtnormenbesluit. Voorzover die indexering er al toe heeft geleid dat de canon nog steeds op een relatief hoog niveau ligt ([geïntimeerden] hebben dat gemotiveerd betwist), is dat niveau naar het oordeel van het hof niet zo onaanvaardbaar hoog dat op gronden van redelijkheid en billijkheid dienaangaande een correctie behoort plaats te vinden. Daarbij dient te worden bedacht dat de overeenkomst tussen partijen ruim 16 jaar loopt. De verhoging bedraagt derhalve minder dan 4 % per jaar, hetgeen - zeker gelet op de sterke stijging van de grondprijzen in bedoelde periode - niet als extreem valt aan te merken. Ook grief 3 treft derhalve geen doel.

8. Alhoewel de betalingsachterstand van [appellant] zeer fors was en [appellant] op grond van het vonnis van 4 december 1998 al geruime tijd voor het uitbrengen van de inleidende dagvaarding in de onderhavige procedure had kunnen weten dat zijn standpunt onhoudbaar was, heeft de rechtbank geoordeeld dat de tekortkoming van [appellant] te gering was om een vervallenverklaring van het erfpachtrecht te rechtvaardigen. Die beslissing is in appel niet door [geïntimeerden] aangevochten, zodat deze beslissing in appel niet ter discussie staat. Het hof is echter van oordeel dat [appellant] onder de gegeven omstandigheden volkomen terecht als grotendeels in het ongelijk gestelde partij is aangemerkt en in de kosten van de procedure in eerste aanleg is aangemerkt. Ook grief 6 is derhalve vergeefs voorgesteld.

Met betrekking tot de grief in het incidenteel appel:

9. [geïntimeerden] hebben in eerste aanleg de wettelijke rente gevorderd over de te weinig betaalde canon "vanaf het vervallen van de respectieve termijnen, althans vanaf de dag der dagvaarding...". De rechtbank heeft echter - zonder enige motivering - enkel de rente toegewezen vanaf de dag der dagvaarding. Tegen die beslissing richt zich de grief.

10. De grief is terecht voorgesteld. Waar [appellant] vanaf 1 november 1995 stelselmatig te weinig aan erfpachtcanon heeft betaald is hij - gelet op hetgeen dienaangaande in de erfpachtsakte onder artikel 2 is bepaald - de wettelijke rente verschuldigd over het te weinig betaalde, telkens vanaf de vervaldatum.

11. De stelling van [appellant] dat er "op gronden van redelijkheid en billijkheid alles voor te zeggen is de rente pas vanaf de dag der dagvaarding te berekenen" mist elke onderbouwing en snijdt - gelet op de te dezen relevante omstandigheden van het geval - geen hout.

Slotsom:

12. Het principaal appel moet worden verworpen. Het incidenteel appel is gegrond.

Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd, behoudens ten aanzien van de wettelijke rente. Op praktische gronden zal het beroepen vonnis voorzover het het dictum onder 1 betreft worden vernietigd en zal opnieuw recht worden gedaan, zoals hieronder nader aan te geven. [appellant] zal, als de in het ongelijk te stellen partij, in hoger beroep de kosten hebben te dragen, zowel in het principaal appel als in het incidenteel appel.

Beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, behoudens voor wat betreft het dictum onder 1;

vernietigt het vonnis op dat punt en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerden] te betalen een bedrag van € 19.894,84 (hfl. 43.842,45) te vermeerderen met de wettelijke rente over het verschil van de canon die [appellant] vanaf 1 november 1995 telkens feitelijk heeft betaald en de canon die [appellant], krachtens het beroepen vonnis aan [geïntimeerden] (dan wel hun rechtsvoorganger) had dienen te betalen, telkens te voldoen vanaf de respectievelijke vervaldagen van elk gedeelte van de canon;

veroordeelt [appellant] in de kosten van deze procedure in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerden] in het principaal appel op € 517,31 aan verschotten en op € 998,32 aan salaris voor de procureur en in het incidenteel appel op € 499,16 aan salaris voor de procureur.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Zuidema en Meijeringh, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 21 augustus 2002.