Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE6793

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-08-2002
Datum publicatie
22-08-2002
Zaaknummer
BK 330/01
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-1642

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 330/01 16 augustus 2002

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van mevr. X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid grote ondernemingen van de belastingdienst te Groningen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1995.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Belanghebbende werd voor het jaar 1995 in de inkomstenbelasting/

premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold, (hierna te noemen: de Wet) van ƒ 369.907,--.

1.2 Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 9 april 2001 de aanslag gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 1 mei 2001 is ingekomen en is aangevuld bij brief (met bijlagen) d.d. 29 mei 2001.

1.4 Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof op 24 mei 2002, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende, zomede de inspecteur, bijgestaan door twee collega's. Ter zitting zijn gezamenlijk met de onderhavige zaak behandeld de zaken met de kenmerken BK 327/01, BK 328/01, BK 329/01 en BK 331/01.

1.5 Ter voormelde zitting hebben partijen de door hen ter zitting voorgedragen pleitnota's overgelegd.

1.6 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten:

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 De belanghebbende was in het onderhavige jaar sinds 30 november 1993 indirect in het bezit van één vijfde deel van het aandelenkapitaal van het Aannemersbedrijf A B.V. (: de B.V.).

2.2 Aan de B.V. werd met ingang van 3 september 1992 voorlopige surcéance van betaling verleend, waarbij mr. B, verbonden aan C c.s. Advocaten, als bewindvoerder (: de bewindvoerder) werd benoemd. De surcéance van betaling van de B.V. is op 1 juni 1995 beëindigd door homologatie van akkoord.

2.3 De B.V. heeft op 5 september 1985, tezamen met D B.V., van de Stichting E de economische eigendom van het voormalige ziekenhuiscomplex F gelegen aan de a-straat te U (: het ziekenhuiscomplex) gekocht voor eenbedrag van ƒ 2.100.000,--. Medio 1990 is het samenwerkingsverband met D B.V. ontbonden en heeft de B.V. het gehele ziekenhuiscomplex overgenomen, waarbij werd uitgegaan van een overnameprijs van

ƒ 2.400.000,--.

2.4 Op 8 april 1991 heeft de heer G, de vader van de belanghebbende (: de vader) namens de B.V. een brief aan de Friesland Bank geschreven, welke brief betrekking had op de financiering van de (ver)bouw van een deel van het ziekenhuiscomplex. Voor de waarde van de voormalige polikliniek (: de polikliniek) heeft de B.V. daarbij een waarde gehanteerd van ƒ 1.590.000,--.

2.5 In de jaren 1991 en 1992 heeft de B.V. over de polikliniek gesproken met de H (: H). H wilde op deze locatie woningbouw realiseren.

2.6 Toen de B.V. en H begin 1993 niet tot overeenstemming bleken te kunnen komen, zijn de onderhandelingen afgebroken. De B.V. heeft vervolgens getracht aan de polikliniek een kantoorinvulling geven, doch deze poging strandde wegens gebrek aan voldoende interesse.

2.7 Eind 1993/begin 1994 kwam de vader in contact met de heer I (: de initiator), verbonden aan het J. De initiator wilde in de polikliniek een sportcentrum ontwikkelen. Afgesproken is dat K B.V. (: K), een B.V. waarvan alle aandelen werden gehouden door de vader, om redenen van financiële aard mede deel zou nemen in deze planontwikkeling. K zou het onroerend goed (de polikliniek) inbrengen en de initiator zou de exploitatie voor zijn rekening nemen.

2.8 Op 10 maart 1994 heeft een taxateur van L V.O.F. op verzoek van de B.V. de polikliniek getaxeerd op ƒ 520.000,--. Daarbij is de taxateur uitgegaan van een bestemming als multifunctioneel sportcentrum en heeft de taxateur opgemerkt dat een ontwikkeling in de sfeer van de (sociale) woningbouw meer voor de hand lag.

2.9 Na de van de gemeente U verkregen goedkeuring van de in punt 2.7 omschreven planontwikkeling werd in 1994 de voor het sportcentrum vereiste bouwvergunning aangevraagd. Tegen het verlenen van deze bouwvergunning hebben H en omwonenden procedures ingesteld, die successievelijk door de Provincie Friesland en de Raad van State werden afgewezen.

2.10 Op 29 juni 1994 heeft de advocaat van onder meer H aangegeven dat er nog steeds alternatieve bestemmingen voor de sportschool bestaan en dat H nog steeds zeer concrete plannen heeft om tot de bouw van woningen op deze locatie te komen. Een dergelijk gebruik van dit perceel past naar de mening van H beter in de omgeving.

2.11 Op 6 juli 1994 heeft de vader namens K een brief aan de initiator geschreven inzake de planontwikkeling van het sportcentrum. In deze brief gaat hij er expliciet vanuit dat de polikliniek zal worden ingebracht voor ƒ 1.500.000,--, verhoogd met een rentebijtelling.

2.12 De vader heeft op 8 juli 1994 namens K een brief aan de B.V. geschreven betreffende de aankoop van onder meer de polikliniek. Daarin gaat hij er expliciet vanuit dat de B.V. aan K de economische eigendom van het voormalige hoofdgebouw van het ziekenhuiscomplex zal overdragen voor een bedrag van ƒ 280.000,-- en de economische eigendom van de polikliniek zal overdragen voor een bedrag van ƒ 520.000,--. Dit wordt bevestigd in een brief d.d. 12 juli 1994 van de B.V. aan K. Genoemde verkoopprijzen zijn gebaseerd op de in punt 2.8 vermelde taxatie.

2.13 Op 18 juli 1994 is gecorrespondeerd tussen de initiator en de vader, zowel namens de B.V. als K, inzake de waarde van de polikliniek.

2.14 Op 22 juli 1994 is een intentieovereenkomst getekend tussen M B.V. (Y) en K betreffende onder meer de realisatie van een sportcentrum gevestigd in de polikliniek. In deze overeenkomst wordt uitgegaan van een overnameprijs van de polikliniek van ƒ 1.500.000,--, verhoogd met de notariskosten ad ƒ 21.000,-- en een bedrag van ƒ 90.000,-- ter vergoeding van rentederving.

2.15 In een overzicht aan de bewindvoerder d.d. 2 september 1994 heeft de B.V. een bedrag van ƒ 520.000,-- als waarde van de polikliniek aangegeven.

2.16 In een aan K gerichte fax d.d. 27 december 1994 heeft de initiator opgemerkt dat de grond en het casco op dat moment geen hogere commerciële waarde hebben dan ƒ 500.000,--, maar dat door de combinatie met het sportcentrum een hogere commerciële waarde ontstaat. Tevens spreekt de initiator van een bod van een andere partij.

2.17 De bouwvergunning betreffende de realisatie van het sportcentrum in de polikliniek werd op 4 januari 1995 verleend. In de loop van diezelfde maand werd door H alsmede door omwonenden bezwaar gemaakt tegen deze bouwvergunning.

2.18 Op 13 januari 1995 heeft K de samenwerking met de initiator van het sportcentrum opgezegd. Op diezelfde datum heeft K een aangepaste versie van de in punt 2.14 vermelde intentieovereenkomst aan de initiator gezonden. Op 18 januari 1995 is deze overeenkomst door beide partijen ondertekend. Wederom wordt in deze intentieovereenkomst uitgegaan van een overnameprijs van de polikliniek van ƒ 1.500.000,--, verhoogd met de notariskosten ad ƒ 21.000,-- en een bedrag van ƒ 90.000,-- ter vergoeding van rentederving. Verder is onder meer overeengekomen dat K er zorg voor draagt dat de (economische eigendom van de) polikliniek wordt overgenomen van de B.V. Tenslotte is bepaald dat de intentieovereenkomst voor 1 maart 1995 zal worden vervangen door een definitieve overeenkomst.

2.19 In ongeveer dezelfde tijd wilde de bewindvoerder de crediteuren van de B.V. een akkoord aanbieden teneinde een faillissement te voorkomen. De activa van de B.V. dienden te gelde te worden gemaakt.

2.20 Na de door de belanghebbende en haar twee broers en twee zusters (hierna tezamen: de kinderen) vervolgens getoonde belangstelling voor de polikliniek heeft de bewindvoerder toegezegd met de verkoop van de polikliniek aan de kinderen in te stemmen tegen de door een makelaar in onroerende zaken getaxeerde waarde.

2.21 Op 1 februari 1995 heeft de door de bewindvoerder aangezochte makelaar (de heer N) een taxatierapport uitgebracht. In dit rapport heeft de makelaar de totale waarde van de polikliniek getaxeerd op ƒ 25.000,--. Deze taxatie heeft plaatsgevonden voor de vermoedelijke onderhandse verkoopwaarde. Het onderhavige taxatierapport duidt het getaxeerde aan als "de voormalige polikliniek met ondergrond, erf en verder aan- en toebehoren", kadastraal bekend als "gemeente U, sectie e, nummer 0000 deels". Voorts wordt in het taxatierapport verwezen naar een bijgevoegde plattegrond waarin het getaxeerde object binnen stippellijnen is aangegeven. Het perceel kadastraal bekend gemeente U, sectie e, nummer 0001 (zijnde een parkeerterrein), valt buiten het door de stippellijnen aangegeven gebied. In dit taxatierapport staat - kort gezegd - vermeld dat de pogingen om een alternatieve bestemming (kantoor, wonen, bedrijvencentrum, sportacademie c.q. sportcentrum) te vinden, op niets zijn uitgelopen.

2.22 Op of omstreeks 1 maart 1995 is de intentieovereenkomst tussen M B.V. en K verlengd. Bepaald is dat deze overeenkomst voor 1 juni 1995 zal worden vervangen door een definitieve overeenkomst.

2.23 In een door de vader namens K aan de bewindvoerder geschreven brief d.d. 1 maart 1995 hanteert de vader voor de verkoop van zowel het voormalige hoofdgebouw als de polikliniek aan K een taxatiewaarde van ƒ 305.000,--, opgebouwd uit ƒ 280.000,-- voor het hoofdgebouw en ƒ 25.000,-- voor de polikliniek.

2.24 In zijn brief d.d. 7 maart 1995 gericht aan de bewindvoerder heeft de notaris, in plaats van - naar reeds was afgesproken - K, de kinderen als kopers opgevoerd.

2.25 Tijdens een op 7 maart 1995 gehouden hoorzitting van de Commissie voor de bezwaar- en beroepschriften heeft de vader een pleitnotitie overgelegd, waarin hij de zaak van het beoogde sportcentrum heeft bepleit.

2.26 Op 20 april 1995 heeft de B.V. - blijkens de betreffende akte - aan de kinderen ieder voor een evenredig deel verkocht en geleverd (de economische eigendom van) een gedeelte van het perceel e 0002, (de polikliniek) alsmede het perceel e 0001 (het parkeerterrein) voor een totaalbedrag van ƒ 25.000,--.

2.27 Met betrekking tot het perceel e 0001 heeft de taxateur (de heer N) op 2 juli 1999 in antwoord op vragen van de inspecteur meegedeeld dat hij, zoals blijkt uit het in punt 2.21 genoemde taxatierapport, het perceel e 0001 bij de door hem uitgevoerde taxatie niet in aanmerking heeft genomen. Aan deze onbebouwde grond, waarvoor een bouwvergunning was afgegeven, zou volgens de taxateur destijds al een waarde moeten worden toegekend van

ƒ 100.000,--.

2.28 Het voormalige hoofdgebouw heeft de B.V. op 26 april 1995 verkocht en geleverd aan K voor een bedrag van

ƒ 280.000,--. Voor dit hoofdgebouw heeft geen hertaxatie plaatsgevonden.

2.29 De vader heeft op 21 april 1995 namens K een brief aan de ABN AMRO Bank geschreven inzake een offerte voor financiering van het project Y in de polikliniek. De vader is in deze brief er expliciet vanuit gegaan dat de polikliniek zal worden aangekocht voor ƒ 1.500.000,--.

2.30 De President van de rechtbank heeft, in verband met de bezwaren tegen de in punt 2.17 genoemde bouwvergunning, op 3 mei 1995 het besluit bouwvergunning d.d. 4 januari 1995 geschorst tot het moment waarop door het College van Burgemeester en Wethouders van U op de tegen deze bouwvergunning ingediende bezwaren is beslist.

2.31 De heer O van H heeft op 18 februari 1999 desgevraagd aan de inspecteur verklaard dat in mei 1995, nadat de bouwvergunning was opgeschort, de besprekingen met de vader over de polikliniek weer op gang waren gekomen.

2.32 In een brief d.d. 17 augustus 1995 aan K is de initiator uitgegaan van een waarde voor de polikliniek van ƒ 1.600.000,--. De initiator heeft aangegeven dat hij, indien de realisatie van het sportcentrum niet doorgaat, rekent met een verkoopwinst die uitgaat boven een waarde van ƒ 25.000,--.

2.33 Op 21 augustus 1995 heeft de initiator aan K een brief geschreven, waarin hij opmerkt dat H de grootste tegenstander van het sportcomplex is en dat H een hoge prijs zal betalen voor de polikliniek.

2.34 De vader heeft in een brief d.d. 23 augustus 1995 aan de gemeente U geschreven dat het nu de bedoeling is om op een andere plaats een sportcentrum te realiseren.

2.35 Eind september 1995 heeft de directeur van H aangegeven de besprekingen betreffende de verkoop van de polikliniek aan H te willen hervatten.

2.36 Op 12 oktober 1995 zijn de bezwaren van H en de omwonenden tegen de bouwvergunning door de gemeente U afgewezen.

2.37 De vader heeft op 23 oktober 1995 namens de B.V. aan de gemeente U geschreven dat aan H is meegedeeld dat, nadat een passend alternatief terrein voor het sportcomplex is gevonden, afstand zal worden gedaan van de planontwikkeling betreffende de vestiging van het sportcentrum in de polikliniek. Aansluitend zal overleg met H plaatsvinden.

2.38 De besprekingen hebben ertoe geleid dat de belanghebbende en haar broers en zusters op 15 december 1995 ieder voor een evenredig deel het gedeelte van het perceel e 0002 (de polikliniek) alsmede het perceel e 0001 (het parkeerterrein) hebben verkocht en geleverd aan H voor een totaalbedrag van ƒ 1.100.000,--.

2.39 Aan de belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 369.907,--. Daarbij heeft de inspecteur in afwijking van belanghebbendes aangifte - naast een thans niet relevante correctie - in verband met de aan- en verkoop van de polikliniek en het parkeerterrein (hierna ook: de onroerende zaken) door de belanghebbende een bedrag van ƒ 313.000,-- als inkomsten uit vermogen in aanmerking genomen. Op het bezwaar van de belanghebbende heeft de inspecteur de aanslag gehandhaafd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de belanghebbende met de aan- en verkoop van de polikliniek en het parkeerterrein een voordeel heeft genoten dat dient te worden aangemerkt als inkomsten uit arbeid dan wel als inkomsten uit vermogen.

3.2 De belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, terwijl de inspecteur zich op het standpunt stelt dat er met betrekking tot de onderhavige aan- en verkoop sprake is van een als inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 22, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet dan wel als inkomsten uit vermogen (uitdeling) te belasten voordeel.

3.3 Voorts wordt verwezen naar de gedingstukken. Partijen hebben ter zitting hun onderscheidene standpunten gehandhaafd, zonder daartoe overigens nadere gronden te hebben aangevoerd.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 De inspecteur heeft zich in eerste instantie (tijdens de aanslagregeling) op het in bezwaar en in beroep herhaalde standpunt gesteld dat de belanghebbende bij de aankoop van de polikliniek en het parkeerterrein een voordeel heeft genoten dat dient te worden aangemerkt als een bij de belanghebbende te belasten verkapte uitdeling van de winst van de B.V..

4.2 Volgens vaste jurisprudentie kan geen sprake zijn van een verkapte winstuitdeling indien en voorzover zij niet heeft plaatsgevonden uit winst of winstreserves, dan wel in het vooruitzicht van te maken winst.

4.3 Ter zitting heeft de gemachtigde van de belanghebbende gesteld dat, gezien de toestand des boedels van de B.V., van zuivere winst geen sprake was. Nu de inspecteur deze stelling geheel onweersproken heeft gelaten, gaat het gerechtshof er vanuit dat er ten tijde van de aankoop van de polikliniek en het parkeerterrein door de belanghebbende in de B.V. geen voor uitdeling beschikbare winst - zoals bedoeld in het onder punt 4.2 overwogene - aanwezig was.

4.4 Het in punt 4.3 overwogene brengt het gerechtshof reeds tot het oordeel dat er geen sprake kan zijn van een door de belanghebbende bij de aankoop van de polikliniek en het parkeerterrein genoten voordeel dat dient te worden aangemerkt als een bij de belanghebbende te belasten verkapte uitdeling van de winst.

4.5 Het gerechtshof komt vervolgens toe aan de beantwoording van de vraag of de belanghebbende met de aan- en verkoop van de polikliniek en het parkeerterrein een voordeel heeft genoten dat dient te worden aangemerkt als inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 22, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet.

4.6 Naar vaststaat wilde de bewindvoerder in januari 1995 de crediteuren van de B.V. een akkoord aanbieden teneinde een faillissement te voorkomen en dienden de activa van de B.V. te gelde te worden gemaakt. Na de door de kinderen vervolgens getoonde belangstelling voor de polikliniek heeft de bewindvoerder toegezegd met de verkoop van de polikliniek aan de kinderen in te stemmen tegen de door een makelaar in onroerende zaken getaxeerde waarde. Verder staat vast dat de kinderen de polikliniek alsmede het parkeerterrein in april 1995 voor een bedrag van in totaal ƒ 25.000,-- van de B.V. hebben aangekocht en dat zij deze onroerende zaken in datzelfde jaar aan H hebben verkocht voor een bedrag van ƒ 1.100.000,--.

4.7 Het gerechtshof is van oordeel dat de vader zich reeds bij de aankoop ervan bewust moet zijn geweest dat de aankoopprijs van de onroerende zaken ad ƒ 25.000,-- beduidend lager was dan de werkelijke waarde van deze onroerende zaken op het moment van de aankoop en dat hij op de hoogte moet zijn geweest van de mogelijkheid bij verkoop een zeer veel hogere prijs dan de bij de aankoop betaalde prijs te realiseren. Het gerechtshof acht hierbij met name het volgende van betekenis:

- Het parkeerterrein (het perceel e 0001) is bij de taxatie d.d. 1 februari 1995 niet in aanmerking genomen, terwijl dit parkeerterrein, waaraan naar de taxateur later heeft verklaard een waarde zou moeten worden toegekend van ƒ 100.000,--, wel deel uitmaakte van de gehele transactie. Nu de vader zich naar mag worden aangenomen van stonde af aan bezighield met de aan- en verkoop van de onroerende zaken, moet hij deze lacune hebben opgemerkt.

- De vader heeft sinds eind 1993/begin 1994 voortdurend - zowel vóór als na de aankoop - uitgebreide onderhandelingen gevoerd met de initiator waarbij steeds werd uitgegaan van een overnameprijs van ƒ 1.500.000,-- verhoogd met een rentebijtelling voor de onderhavige onroerende zaken, welke overnameprijs eveneens stond vermeld in de ten tijde van de aankoop aanwezige intentieovereenkomst tussen K en de initiator. Dat - zo de belanghebbende stelt - over deze prijs nooit serieus is gediscussieerd en dat van een sluitende exploitatie van het sportcentrum nooit sprake kon zijn, acht het gerechtshof, gelet op de uitvoerige onderhandelingen alsmede de gesloten en herhaaldelijk bevestigde intentieovereenkomst, niet aannemelijk.

- Duidelijk was dat H steeds belangstelling voor de onroerende zaken bleef houden. Nadat er in 1991 en 1992 besprekingen met H waren gehouden, was H voortdurend op de achtergrond aanwezig:

- H heeft zich in diverse procedures telkens gekeerd tegen de ontwikkeling van het sportcentrum;

- de advocaat van H heeft op 29 juni 1994 aangegeven dat H nog steeds zeer concrete plannen heeft om tot de bouw van woningen op deze locatie te komen en

- voorts werd H door de initiator in enkele brieven im- en expliciet als gegadigde voor de onroerende zaken genoemd.

- In door de vader geschreven brieven aan de Friesland Bank en de ABN AMRO Bank worden voor de polikliniek waarden genoemd van ƒ 1.590.000,-- respectievelijk ƒ 1.500.000,--.

- Op 10 maart 1994 heeft een taxateur van L V.O.F. op verzoek van de B.V. de polikliniek getaxeerd op ƒ 520.000,--.

4.8 Naar het oordeel van het gerechtshof was - naar volgt uit het onder punt 4.7 overwogene - het bij de verkoop behaalde voordeel niet alleen redelijkerwijs te verwachten, maar moet eveneens reeds bij de aankoop het voornemen aanwezig zijn geweest de onroerende zaken voor een zeer veel hogere prijs aan de initiator dan wel aan H over te dragen. De vader heeft zich immers - zoals volgt uit de vaststaande feiten - voortdurend ingezet voor de realisatie van het sportcentrum. Het gerechtshof acht hierbij met name van betekenis de omstandigheden dat de vader steeds, ook na de aankoop door de belanghebbende, onderhandelingen voerde met de initiator en dat de vader de nodige inspanningen heeft geleverd om een bouwvergunning te verkrijgen. Niet uitgesloten is dat de vader met de planontwikkeling voor het sportcentrum de bereidheid van H om een hoge prijs voor de onroerende zaken te betalen, beoogd heeft te verhogen.

4.9 De kennis en het handelen van de vader dient naar het oordeel van het gerechtshof aan de kinderen (waaronder de belanghebbende) te worden toegerekend. Het gerechthof baseert dit oordeel op de tussen de kinderen en de vader bestaande familierelatie en de omstandigheid dat de vader - zoals volgt uit de door hem gevoerde onderhandelingen alsmede uit de tussen hem en de initiator aanwezige intentieovereenkomst - steeds heeft gehandeld alsof hij vrij over de onroerende zaken kon beschikken.

4.10 Nu de belanghebbende zich door de wetenschap van de vader bewust moet zijn geweest van de extreem lage aankoopprijs en zij door de kennis en het handelen van de vader met de aan- en verkoop van de onroerende zaken een beoogd en redelijkerwijs te verwachten voordeel heeft genoten, is het gerechtshof van oordeel dat dit voordeel in zijn geheel dient te worden aangemerkt als inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 22, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet. In dit verband merkt het gerechtshof op dat de bewindvoerder van de B.V. - die ten tijde van de verkoop de crediteuren een akkoord wilde aanbieden - bij het bepalen van de verkoopprijs naar mag worden aangenomen slechts is afgegaan op de door de makelaar (dhr. N) vastgestelde waarde.

4.11 Het als inkomsten uit arbeid te belasten voordeel dient - gelet op het onder punt 4.6 overwogene - te worden gesteld op ƒ 215.000,-- (één vijfde deel van het verschil tussen de totale aankoopprijs ad

ƒ 25.000,-- en de totale verkoopprijs ad ƒ 1.100.000,--)

4.12 Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat belanghebbendes beroep gedeeltelijk doel treft.

4.13 Het gerechtshof vermindert het door de inspecteur vastgestelde belastbare inkomen ad ƒ 369.907,-- met een bedrag van ƒ 98.694,-- (ƒ 313.000,-- verminderd met f 215.000,-- minus verhoging van het arbeidskostenforfait ad f 694,--) tot op een bedrag van ƒ 271.213,--.

5. De proceskosten

In de omstandigheden van het geval vindt het gerechtshof aanleiding op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De onderhavige zaak en de vier onder punt 1.4 genoemde zaken betreffen nagenoeg identieke besluiten, waartegen de belanghebbende op vergelijkbare gronden gelijktijdig beroep heeft ingediend. Derhalve beschouwt het gerechtshof op grond van artikel 3 van het Be-sluit proceskosten bestuursrecht (: het Besluit) deze vijf zaken als samenhangende zaken. Aldus bepaalt het gerechtshof op grond van het Besluit het bedrag van de proceskosten ter zake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand op 2 (punten) x € 322,-- x 2 (gewicht) x 1,5 (vijftal samenhangende zaken) is € 1.932,--, gedeeld door vijf is € 386,40. Deze kosten dienen te worden gedragen door de Staat der Nederlanden.

6. De beslissing

Het gerechtshof

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 271.213,-- (€ 123.071,--);

gelast dat de inspecteur het door de belanghebbende betaalde griffierecht ad € 27,23 aan haar vergoedt;

veroordeelt de inspecteur de kosten aan de belanghebbende te vergoeden, die deze heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, te bepalen op € 386,40 en

wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te dragen.

Gedaan op 16 augustus 2002 door mr. H.S. Pruiksma, vice-president, mr. F.J.W. Drion en mr. J. Huiskes, raadsheren, in tegenwoordigheid van de griffier mevr. mr. M. Hiemstra en op die dag in het openbaar uitgesproken en ondertekend door voornoemde vice-president, zijnde voornoemde griffier buiten staat te ondertekenen.

Op 21 augustus 2002 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.