Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE6769

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
29-07-2002
Datum publicatie
22-08-2002
Zaaknummer
24-000116-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-000116-02

Arrest d.d. 29 juli 2002 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden d.d. 24 januari 2002 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans verblijvende in PI Overijssel, HvB Karelskamp, Almelo,

Bornsestraat 333 7601 PB Almelo

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman,

mr. Th.U. Hiddema, advocaat te Maastricht.

Het vonnis waarvan beroep.

De arrondissementsrechtbank te Leeuwarden heeft de verdachte bij voormeld vonnis op tegenspraak wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en een bijkomende straf en heeft voorts op een vordering tot tenuitvoerlegging beslist, één en ander als in het vonnis nader omschreven.

Aanwending van het rechtsmiddel.

De officier van justitie en de verdachte zijn d.d. 7 februari 2002 respectievelijk d.d. 6 februari 2002 op de voorgeschreven wijze en tijdig van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft gelet op het onderzoek ter 's hofs terechtzitting van 16 juli 2002 en op het onderzoek in eerste aanleg als voorgeschreven bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering.

De beslissing op het hoger beroep.

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen en opnieuw recht doen.

Telastelegging.

Het hof neemt uit het beroepen vonnis over de daar vermelde inhoud van de inleidende dagvaarding, zoals door de eerste rechter gewijzigd.

Het hof leest het onder feit 1 primair tenlastegelegde verbeterd in die zin dat het na de zinsnede "(te weten (handels)geld van en/of bestemd voor het bedrijf (C1000) van voornoemde [slachtoffer 2]) aan verdachte en/of" invoegt de zinsnede "één of meer van" en voorts na de zinsnede "zulks terwijl verdachte en/of" wederom invoegt de zinsnede "één of meer van", zijnde hier sprake van kennelijke misslagen, door verbeterde lezing waarvan verdachte niet in zijn -door de dagvaarding beschermde- belang kan zijn geschaad.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Ambtshalve oordelende acht het hof in casu geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Immers heeft verdachte aan de politieverhoren op 27 februari 1998 en vervolgens op 19 maart 1998 niet in redelijkheid de verwachting kunnen ontlenen dat hij aangaande het onder feit 4 tenlastegelegde feit door het openbaar ministerie zou worden vervolgd. Het hof acht derhalve het openbaar ministerie ontvankelijk in zijn vervolging.

Vrijspraak.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aldus onder feit 3 aan verdachte is telastegelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring.

Het hof stelt ten aanzien van het onder 1, 2a en 2b tenlastegelegde het navolgende vast en verbindt daaraan de conclusie dat de rol van verdachte bij deze feiten als die van medepleger dient worden gekwalificeerd als, immers:

Verdachte heeft tezamen met zijn mededaders op 27 december 2000 in Sneek een supermarkt beroofd. Verdachte en zijn mededaders zijn daarbij zeer georganiseerd te werk gegaan. Er was besloten om de eigenaar van de winkel, de heer [slachtoffer 2], thuis te overvallen, de heer [slachtoffer 2] en mevrouw [slachtoffer 1] van elkaar te scheiden, en voornoemde [slachtoffer 2] vervolgens te ontvoeren naar de winkel. Verdachte was van vorenomschreven plan op de hoogte en heeft daarbij zijn diensten aangeboden door op het laatste moment zorg te dragen voor een wapen. Dusdoende heeft verdachte, ondanks het feit dat verdachte niet lijfelijk ten tijde van het plegen van de overval aanwezig is geweest, een cruciale rol gespeeld bij het laten plaatsvinden van de geplande overval.

Voorgaande heeft geresulteerd in een overval in de nacht van 26 december 2000 op 27 december 2000 - terwijl de heer en mevrouw [slachtoffer 2 en 1] lagen te slapen - waarbij de mededaders van verdachte gemaskerd en voorzien van vuurwapens hun huis zijn binnengedrongen. Het moet voor de heer en mevrouw [slachtoffer 2 en 1] een vreselijke ervaring zijn geweest. Er werd door de daders van stond af aan fors geweld uitgeoefend. De heer [slachtoffer 2] werd geschopt en/of gestompt en/of geslagen en mevrouw [slachtoffer 1] werd vastgepakt, gedwongen uit bed te komen en gebonden en geblinddoekt elders in de woning vastgezet. De heer [slachtoffer 2] werd eveneens vastgebonden en geblinddoekt en meegevoerd naar de winkel waar de daders hem op een gewelddadige manier geld afhandig maakten.

Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang beschouwd, is er naar het oordeel van het hof sprake geweest van een bewuste, nauwe en volledige samenwerking als bedoeld in artikel 47 Wetboek van Strafrecht.

Aldus acht het hof het navolgende bewezen:

Feit 1 primair:

hij op of omstreeks 27 december 2000,

te Sneek, in de gemeente Sneek,

tezamen en in vereniging met anderen, in een woning, gelegen op of aan de [straat] aldaar opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer 1], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden,

met het oogmerk een ander, te weten [slachtoffer 2], te dwingen iets te doen, te weten een hoeveelheid geld (te weten handelsgeld van en bestemd voor het bedrijf (C1000) van voornoemde [slachtoffer 2]) aan één of meer van zijn mededaders af te geven,

immers heeft hij tezamen en in vereniging met zijn mededaders, opzettelijk en wederrechtelijk,

in voornoemde woning (welke woning men door middel van braak en inklimming was binnengedrongen en in welke woning op dat moment voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich bevonden)

- zulks terwijl één of meer van zijn mededaders zichtbaar voor die [slachtoffer 1] gemaskerd waren en vuurwapens bij zich droegen -,

die samen met [slachtoffer 2] in bed liggende [slachtoffer 1] vastgepakt en/of vastgehouden en vervolgens gedwongen uit bed te komen

en/of vervolgens weggeleid van die [slachtoffer 2]

en/of een zak over het hoofd van die [slachtoffer 1] getrokken

en/of de armen van die [slachtoffer 1] op de rug gebonden en/of

vervolgens die [slachtoffer 1] gedwongen in de douche te blijven, en/of

vervolgens die [slachtoffer 1] gedwongen in de slaapkamer op bed te gaan liggen en te blijven liggen en/of

vervolgens de benen van die [slachtoffer 1] aan elkaar vast gebonden en aan het ledikant vastgebonden en/of

tape op/over de mond van die [slachtoffer 1] geplakt

en aldus die [slachtoffer 1] belet zich vrijelijk te bewegen.

Feit 2a primair:

hij op of omstreeks 27 december 2000,

te Sneek, in de gemeente Sneek,

tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk om anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld

een persoon genaamd [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van

geldcassettes inhoudende telkens een hoeveelheid geld,

toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1],

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededaders

in de woning van voornoemde [slachtoffer 2] (gelegen op of aan de [straat] aldaar en in welke woning men was binnengedrongen door middel van braak en inklimming)

opzettelijk die [slachtoffer 2] dreigend meerdere vuurwapens heeft getoond en/of

die [slachtoffer 2] tegen het hoofd en het lichaam heeft geschopt en/of gestompt en/of geslagen en/of

de armen en/of de handen van die [slachtoffer 2] heeft gebonden en/of

een zak over het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft getrokken en/of

dreigend aan die [slachtoffer 2] heeft medegedeeld (zakelijk weergegeven) dat ze het geld van zijn bedrijf (C1000) wilden hebben en/of dat hij moest meewerken en

vervolgens die [slachtoffer 2] een stuk touw om de hals getrokken en/of

vervolgens die [slachtoffer 2], onder bedreiging van een of meer van de voornoemde vuurwapens met een auto heeft vervoerd naar het pand van de C1000 in welk pand voornoemde [slachtoffer 2] is overgegaan tot bovenomschreven afgifte.

Feit 2b primair:

hij op of omstreeks 27 december 2000,

te Sneek, in de gemeente Sneek,

tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer 2], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden,

immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededaders opzettelijk en wederrechtelijk

(in de woning van die [slachtoffer 2], gelegen op of aan de [straat] aldaar) - zulks terwijl zijn mededaders duidelijk zichtbaar voor die [slachtoffer 2] gemaskerd waren en vuurwapens bij zich droegen -,

die [slachtoffer 2] vastgepakt en/of vastgehouden en/of

een touw om de hals van die [slachtoffer 2] getrokken en/of

vervolgens die [slachtoffer 2], onder bedreiging van voornoemde vuurwapens gedwongen in een auto te stappen en/of

vervolgens die [slachtoffer 2] vervoerd naar het pand van de C1000 (gelegen aan de Mollenkrite aldaar) en/of

vervolgens in laatsgenoemd pand de handen van die [slachtoffer 2] vastgebonden aan een emballagetafel en/of de voeten en/of de benen van die [slachtoffer 2] aan elkaar vast gebonden

en aldus belet zich vrijelijk te bewegen en vrijelijk voornoemde woning en voornoemde auto en voornoemd pand (C1000) te verlaten.

Feit 4:

hij op 5 september 1997 te Marum, in de gemeente Marum,

tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening

uit een pand (Albert Heijn, gelegen aan de Wendtsteinweg aldaar) heeft weggenomen geld en cheques,

toebehorende aan het winkelbedrijf Albert Heijn,

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld

tegen [slachtoffer 3] en/of anderen in voornoemd winkelpand aanwezige personeelsleden,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het

opzettelijk gewelddadig en dreigend,

voorzien van een pistool en een geweer

terwijl men bivakmutsen droeg,

binnendringen van voornoemd pand en/of

uit het opzettelijk dreigend richten en/of gericht houden van voornoemde wapens op voornoemde personeelsleden en/of

uit het opzettelijk driegend mededelen aan een of meer van voornoemde personeelsleden (zakelijk weergegeven) dat ze op de grond moesten gaan liggen en/of

uit het opzettelijk dreigend richten en gericht houden van een pistool op voornoemde [slachtoffer 3] en/of

uit het meermalen opzettelijk gewelddadig slaan met een pistool tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer 3] en/of

uit het meermalen opzettelijk dreigend aan voornoemde [slachtoffer 3] mededelen (zakelijk weergegeven) dat hij de kluis moest open maken en/of dat hij, voornoemde [slachtoffer 3] en/of iedereen anders zou worden doodgeschoten en/of dat voornoemde [slachtoffer 3] in zijn been zou worden geschoten.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder feit 1 primair, feit 2a primair en 2b primair en onder feit 4 meer of anders is telastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie.

Hetgeen het hof als bewezen heeft aangenomen levert respectievelijk op de misdrijven:

Feit 1 primair:

medeplegen van gijzeling;

Feit 2a primair:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Feit 2b primair:

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven;

en

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid berooft houden;

Feit 4:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit gepleegd wordt door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid.

Bij de stukken bevindt zich een psychiatrisch rapport, d.d. 30 november 2001 opgemaakt door R. Vriesema, psychiater, psychoanalyticus en vast gerechtelijk deskundige. Dit rapport houdt als conclusie - onder meer en zakelijk weergegeven - in dat bij verdachte een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestaat, welke zich ook voordeed ten tijde van het plegen van de delicten waarvan hij wordt verdacht. Indien het tenlastegelegde bewezen wordt geacht dan kan hem dit, ondanks de gebrekkige ontwikkeling, volledig worden toegerekend. Verdachte heeft in deze een duidelijk normbesef en kan willens en wetens handelen.

Bij de stukken bevindt zich voorts een pro justitia rapport, d.d. 6 december 2001 opgemaakt door G. de Jong, forensisch psycholoog en vast gerechtelijk deskundige. De conclusie van dit rapport luidt - onder meer en zakelijk weergegeven - dat bij verdachte een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestaat in de zin van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Van deze gebrekkige ontwikkeling was ook sprake ten tijde van het plegen van de delicten waarvan hij wordt verdacht. De gebrekkige ontwikkeling van verdachtes geestvermogens staat er niet aan in de weg dat het tenlastegelegde hem, indien bewezen, volledig moet worden toegerekend. Hij kent, ondanks de persoonlijkheidsstoornis, de normen, en heeft bewust en calculerend de norm overschreden.

Gelet op de indruk die verdachte ter terechtzitting heeft gemaakt, verenigt het hof zich met de conclusies uit beide rapporten en maakt die tot de zijne.

Het hof is derhalve van oordeel dat de hiervoor bewezenverklaarde feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Het hof acht verdachte mitsdien te dezer zake strafbaar, nu ten opzichte van hem geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering.

De arrondissementsrechtbank te Leeuwarden heeft de verdachte ter zake van de onder feit 1 primair, feit 2a primair, feit 2b primair, en feit 4 telastegelegde - en door de rechtbank bewezenverklaarde - feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. Zowel de verdachte als de officier van justitie zijn tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen. Ter terechtzitting van 16 juli 2002 heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren.

Het hof heeft in hoger beroep - op basis van een bewezenverklaring ter zake van de onder feit 1 primair, feit 2A primair, feit 2B primair en feit 4 telastegelegde - de op te leggen hoofdstraf bepaald op grond van de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder die feiten zijn begaan en op grond van de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich tezamen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een drietal strafbare feiten, die, in samenhang beschouwd, voor de direct betrokkenen en de samenleving zo verontrustend zijn, dat alleen een vrijheidsstraf in aanmerking komt.

Het hof tilt bijzonder zwaar aan de bewezenverklaarde feiten. Verdachte en zijn mededaders hebben niet alleen de lichamelijke, maar bovenal de geestelijke integriteit van de slachtoffers in zeer ernstige mate aangetast. Ook de zoon van de heer en mevrouw [slachtoffer 2 en 1], die zich samen met een neefje elders in de woning bevond, heeft een schokkende ervaring opgedaan. Beiden hebben begrepen dat er een overval gaande was, maar hebben niets durven ondernemen uit angst ontdekt te worden met alle mogelijke gevolgen van dien.

Voorts heeft verdachte zich op 5 september 1997 samen met anderen schuldig gemaakt aan een overval op het filiaal van een Albert Heijn in Marum. Kort na sluitingstijd zijn verdachte en één van de mededaders de winkel binnengedrongen en hebben gemaskerd en gewapend met een vuurwapen personeelsleden bedreigd en mishandeld en uiteindelijk een groot bedrag aan geld buitgemaakt.

Al met al hebben verdachte en zijn mededaders zich schuldig gemaakt aan twee brute overvallen die nog lange tijd hun sporen zullen nalaten in het leven van de slachtoffers. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de aan verdachte op te leggen vrijheidsstraf van lange duur dient te zijn. Bij het bepalen van de precieze duur heeft het hof - naast hetgeen hiervoor omtrent de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn begaan is overwogen - het volgende in aanmerking genomen. Verdachte is in de eerste plaats, blijkens een uittreksel uit het algemeen documentatieregister van de justitiële documentatiedienst te Almelo van 16 mei 2002, eerder veroordeeld ter zake van - soortgelijke - strafbare feiten, hetgeen een verzwarend effect op de straftoemeting dient te hebben. Voorts heeft de verdachte - zoals hij ter 's hofs terechtzitting van 16 juli 2002 heeft verklaard - zich ook nog aan een ander strafbaar feit schuldig gemaakt dan die ten laste van hem zijn bewezenverklaard. Dit ad informandum gevoegd feit, te weten het voorhanden hebben en overdragen van een wapen van categorie III te gebruiken bij de onder 1, 2a en 2b bewezenverklaarde feiten, staat vermeld op de inleidende dagvaarding en dient thans - als meegenomen in na te melden straf - als afgedaan te worden beschouwd.

Op grond van al het voorgaande, in onderling verband bezien, is het hof - met eenparigheid van stemmen - tot het oordeel gekomen dat aan de verdachte - ter vergelding van het psychisch leed dat hij de slachtoffers heeft aangedaan en om de maatschappij tegen zijn misdadig handelen te beveiligen - een gevangenisstraf behoort te worden opgelegd die langer is dan die welke in eerste aanleg is opgelegd. Het hof verenigt zich dus in zoverre met het standpunt van het openbaar ministerie dat de door de rechtbank opgelegde lange gevangenisstraf niet volledig recht doet aan de aard en de ernst van de feiten. Bij het bepalen van de duur van de op te leggen vrijheidsstraf heeft het hof voorts gelet op 's hofs arresten in de zaken van verdachtes mededaders [mededaders]. Gelet op voornoemde arresten, gezien ieders aandeel en het complex van de feiten, is het hof - met voornoemde eenparigheid van stemmen - van oordeel dat vorenbedoelde langere gevangenisstraf passend is.

Verbeurdverklaring.

Het door het hof verbeurd te verklaren voorwerp is daarvoor vatbaar.

Immers, met behulp van dit voorwerp zijn de onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde feiten begaan.

Beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf.

Bij vonnis d.d. 7 juli 2000 van het gerechtshof te Arnhem, is de verdachte veroordeeld tot - voor zover hier van belang - gevangenisstraf voor de duur van zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Voormeld vonnis is onherroepelijk geworden op 22 juli 2000, nu hiertegen geen rechtsmiddel is aangewend.

De proeftijd is ingegaan op 22 juli 2000 en zal eindigen op 22 juli 2002.

Bij vordering d.d. 15 mei 2001 heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke straf, omdat verdachte zich voor het einde van de gestelde proeftijd heeft schuldig gemaakt aan de hiervoor bewezenverklaarde feiten.

De hiervoor bewezenverklaarde feiten zijn begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd. Het hof zal op grond daarvan de tenuitvoerlegging gelasten van de gevangenisstraf voor de duur van zes maanden de verdachte voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis d.d. 7 juli 2000.

Toepassing van wetsartikelen.

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g (oud), 33, 33a, 47, 57, 63, 282, 282a, 310 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak.

HET HOF,

RECHTDOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

verklaart het verdachte als voormeld onder feit 3 telastegelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte als voormeld onder feit 1 primair, feit 2a primair en feit 2b primair en onder feit 4 telastegelegde bewezen en te kwalificeren als voormeld en verklaart deze feiten en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

gelast de teruggave aan [naam mededader], [adres mededader] van het navolgende inbeslaggenomen voorwerp:

een enveloppe van het C.J.I.B. ten name van [naam mededader];

verklaart verbeurd het navolgende inbeslaggenomen voorwerp:

een plattegrond van Sneek;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder feit 1 primair, feit 2a primair en feit 2b primair en onder feit 4 meer of anders is telastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

gelast de tenuitvoerlegging van de aan veroordeelde bij arrest van het gerechtshof te Arnhem d.d. 7 juli 2000 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten:

gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Dit arrest is aldus gewezen door mrs. Weenink, voorzitter, Wedzinga en Zwinkels, in tegenwoordigheid van Boersma als griffier, zijnde mr. Zwinkels voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.