Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE6765

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-08-2002
Datum publicatie
22-08-2002
Zaaknummer
BK 301/02
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-1676

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 301/02 16 augustus 2002

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, vierde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z

(: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de Belastingdienst Particulieren Groningen (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen over het jaar 1999.

1. Ontstaan en loop van het geding

Belanghebbende werd voor het jaar 1999 in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold, (hierna: de Wet) van ƒ 150.478,--. Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij uitspraak van 21 december 2001 afwijzend beslist. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen) hetwelk op 1 februari 2002 is ingekomen. De inspecteur heeft vervolgens op 4 april 2002 een verweerschrift (met bijlagen) ingezonden. De mondelinge behandeling in deze zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van 29 mei 2002, gehouden te Groningen, alwaar aanwezig waren belanghebbende alsmede de inspecteur.

Het hof heeft in deze zaak op 12 juni 2002 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, op 24 juni 2002, aan partijen is verzonden.

Bij een op 27 juni 2002 ter griffie ingekomen brief heeft de inspecteur verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het daartoe verschuldigde griffierecht is op 19 juli 2002 voldaan.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Belanghebbende is gehuwd met mevrouw A. In 1999 hebben zij twee kinderen: B, geboren op 13 december 19.. en C, geboren op 2 september 19... Belanghebbende heeft in 1999 van 1 januari tot 6 juli gewerkt bij D B.V., van 1 juni tot 6 juli heeft belanghebbende een uitkering van het Landelijk instituut voor sociale verzekeringen genoten en van 19 juli tot 31 december heeft belanghebbende gewerkt bij E B.V. Zijn echtgenote heeft in 1999 het gehele jaar gewerkt bij het F- Ziekenhuis.

2.2 Het onzuiver inkomen van belanghebbende bedroeg in het onderhavige jaar ƒ 150.478,--. Het onzuiver inkomen van zijn echtgenote bedroeg dat jaar ƒ 108.710,--.

2.3 De beide kinderen gingen in 1999 van 1 januari tot 1 juni vier dagen per week naar het Kinderdagverblijf G in L en van 1 juni tot 31 december naar Kinderdagverblijf H.

De totale uitgaven voor de kinderopvang bedroegen in 1999

ƒ 33.717,--. Van dit bedrag heeft het F-Ziekenhuis

ƒ 33.600,-- betaald en belanghebbende wegens incidentele opvang van de kinderen ƒ 117,--. Op het salaris van de echtgenote van belanghebbende is totaal ƒ 17.159,40 ingehouden wegens ouderbijdrage in de kosten kinderopvang.

2.4 Belanghebbende berekent het aftrekbare bedrag van de kosten kinderopvang in zijn aangifte als volgt:

Totale uitgaven kinderopvang ƒ 33.717,--

Minus: onbelaste bijdrage werkgever ƒ 16.440,--

betaald door belanghebbende ƒ 17.277,-- (het maximum bedraagt ƒ 22.106,--)

minus: drempel ƒ 13.862,--

Aftrekbaar bedrag ƒ 3.415,--

2.5 De inspecteur corrigeert de aangifte, voor zover thans van belang, ter zake van de uitgaven voor de kosten van kinderopvang in die zin dat hij hiervoor geen bedrag in aftrek toelaat. De inspecteur heeft deze correctie in de bezwaarfase gehandhaafd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de totale uitgaven voor kinderopvang ad ƒ 33.717,-- gemaximeerd zijn tot tweemaal ƒ 11.053,--, of dat op de totale uitgaven eerst de bijdrage van de werkgever in mindering mag worden gebracht voordat rekening dient te worden gehouden met voormeld plafond. Daarnaast is van belang de vraag of belanghebbende een gerechtvaardigd beroep kan doen op opgewekt vertrouwen met betrekking tot de wijze van berekening van de onderhavige kosten op de aangiftediskette.

3.2 De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de volgorde van de door belanghebbende in de aangifte opgevoerde bedragen niet juist is, in die zin dat de bijdrage van de werkgever dient te worden afgetrokken van het maximaal in aftrek toegestane bedrag van ƒ 22.106,--.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel dient naar de mening van de inspecteur, gelet op het arrest d.d. 7 december 2001 van de Hoge Raad, nr 36517, BNB 2002/45, niet te worden gehonoreerd.

3.3 Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

Ter zitting hebben partijen hun standpunten gehandhaafd zonder daartoe nadere gronden aan te voeren.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1 Op grond van artikel 46, lid 1, aanhef en letter d, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1999; hierna: de Wet) zijn buitengewone lasten de op de belastingplichtige drukkende uitgaven ter zake van kinderopvang van kinderen jonger dan 13 jaar, voor zover deze uitgaven zijn gedaan voor kinderopvang waarvoor krachtens artikel 20, eerste lid, van de Welzijnswet 1994 bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld met betrekking tot de kwaliteit en de belastingplichtige in het kalenderjaar werkzaamheden buiten zijn huishouden heeft verricht ter zake waarvan een bedrag van meer dan ƒ 8.380,-- in zijn onzuivere inkomen is begrepen dan wel ter zake waarvan hij in aanmerking komt voor zelfstandigenaftrek.

4.2 Op grond van artikel 46, lid 11, van de Wet worden uitgaven ter zake van kinderopvang van kinderen die jonger zijn dan 13 jaar, indien wordt voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen administratieve voorwaarden, tot een bedrag van ƒ 11.053,-- per kind in aanmerking genomen voor zover die uitgaven meer belopen dan bij ministeriële regeling vast te stellen bedragen. Voor de vaststelling van deze bedragen wordt acht geslagen op de bedragen aan ouderbijdragen voor kinderopvang die door de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur aan de gemeenten wordt geadviseerd.

Artikel 14 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 (tekst 1999) bepaalt tot welk bedrag de op grond van artikel 46, lid 11, van de Wet begrensde uitgaven voor kosten kinderopvang in aanmerking kunnen worden genomen. De voor de belanghebbende geldende drempel bedraagt ƒ 13.862,--.

4.3 Uit het bovenstaande volgt dat de bruto uitgaven ad ƒ 33.717,- voor de kosten van kinderopvang voor belanghebbende worden gemaximeerd tot tweemaal ƒ 11.053,--, ofwel ƒ 22.106,--. Op dit bedrag dient de onbelaste bijdrage van de werkgever ad

ƒ 16.440,-- in aftrek te worden gebracht. Op het resterende bedrag dient vervolgens de drempel van ƒ 13.862,-- in mindering te worden gebracht. De aftrek kosten kinderopvang voor belanghebbende is mitsdien nihil.

Het vertrouwensbeginsel.

4.4 Uit de door belanghebbende ter zitting overgelegde uitdraai van de aangiftediskette 1999 blijkt dat de opzet van de daarin opgenomen berekening betreffende de kosten voor kinderopvang overeenkomt met de wijze waarop belanghebbende het door hem in aftrek te brengen bedrag heeft berekend. Belanghebbende heeft voorts ter zitting onbestreden aangevoerd dat maximering in het aangifteprogramma van het in te voeren bedrag eerst plaatsvindt nàdat de vergoeding van de werkgever op de uitgaven in mindering is gebracht.

4.5 In artikel 7, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals dat voor het onderhavige jaar gold, is bepaald dat de modellen voor de uitnodigingen tot het doen van aangifte bij ministeriële regeling worden vastgesteld. Een ministeriële regeling is een wet in materiële zin. Dit is nader uitgewerkt in artikel 5 van de Uitvoeringsregeling 1990 (tekst 1999).

4.6 Het door belanghebbende aan de aangiftediskette ontleende vertrouwen, is, gelet op het vorenstaande, een aan de wet ontleend vertrouwen. Dit vertrouwen dient naar het oordeel van het hof in beginsel te worden gehonoreerd.

In het arrest van de Hoge Raad d.d. 7 december 2001, nr 36517 ontleende de belastingplichtige het door haar gestelde vertrouwen aan een in het aangifteprogramma uitgevoerde berekening van de te betalen belasting/premie volksverzekeringen waarbij werd vermeld dat aan die berekening geen rechten konden worden ontleend. In casu ontleent belanghebbende het vertrouwen aan de volgorde van de in te vullen bedragen en voorts aan de plaats in de berekening waar het programma het ingevoerde bedrag maximeert tot het maximaal toegestane bedrag van f 22.106,-- en is voorts niet gesteld dat is vermeld dat hieraan geen rechten kunnen worden ontleend.

5. De conclusie.

Het vorenoverwogene brengt mee dat het beroep van belanghebbende in zoverre gegrond is.

6. De proceskosten.

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 147.062,--;

bepaalt dat het betaalde griffierecht ad € 29,-- aan belanghebbende wordt vergoed door de inspecteur.

Gedaan op 16 augustus 2002 door mr Huiskes, raadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier mevrouw mr De Jong en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Afschrift aangetekend aan beide partijen verzonden

op: 21 augustus 2002