Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE6655

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-08-2002
Datum publicatie
21-08-2002
Zaaknummer
rekestnummer 0200096
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking d.d. 21 augustus 2002

Rekestnummer 0200096

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

beschikking in de zaak van

[appellant],

wonende/verblijvende te [woonplaats]

(Filippijnen),

appellant,

hierna ook te noemen: de man,

toevoeging aangevraagd,

procureur mr A.A.M. Jongbloed,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna ook te noemen: de vrouw,

toevoeging,

procureur mr A. Kauling-Leeftink.

Het geding in eerste aanleg

Bij (tussen)beschikking van 9 januari 2002 heeft de rechtbank te Leeuwarden tussen partijen, die op 13 maart 1995 op de Filippijnen te Dumaquete City, Negros Oriental met elkaar zijn gehuwd, de echtscheiding uitgesproken en partijen gelast hun huwelijksgemeenschap te verdelen naar Filippijns recht.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 9 april 2002, heeft de man verzocht voornoemde beschikking te vernietigen.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 22 mei 2002, heeft de vrouw het verzoek bestreden en verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken.

Ter zitting van 11 juli 2002 is de zaak behandeld.

De beoordeling

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

1. De rechter heeft in de bestreden tussenbeschikking, overeenkomstig het bepaalde in artikel 358 lid 3 Rv bepaald dat van de tussenbeschikking afzonderlijk hoger beroep is toegelaten. Mitsdien kan de man worden ontvangen in het hoger beroep.

Vaststaande feiten

2. Partijen zijn op 13 maart 1995 op de Filippijnen te Dumaguete City naar Filippijns recht met elkaar gehuwd.

3. De vrouw heeft bij inleidend verzoekschrift d.d. 17 augustus 2001 - voor zover hier van belang - verzocht tussen partijen de echtscheiding uit te spreken en partijen te veroordelen tot verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap over te gaan.

4. Bij verweerschrift tevens zelfstandig verzoek d.d. 12 december 2001 heeft de man - voor zover hier van belang - aangevoerd dat de rechtbank zich ten aanzien van het echtscheidingsverzoek met nevenvoorzieningen onbevoegd dient te verklaren.

5. De rechtbank te Leeuwarden heeft in de beroepen (tussen-) beschikking overwogen dat op grond van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, sub a, ten eerste, van de Verordening betreffende bevoegdheid en erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen inzake echtscheiding en inzake ouderlijk gezag (hierna: Brussel II), de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt in de onderhavige echtscheidingszaak.

Met betrekking tot de vraag welk rechtsstelsel op de verzoeken van de vrouw van toepassing is heeft de rechtbank overwogen dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 1 Wet Conflictenrecht Echtscheiding (hierna WCE) op het echtscheidingsverzoek het Nederlandse recht zal worden toegepast, nu de vrouw heeft gekozen voor toepassing van Nederlands recht en de man deze keuze niet heeft weersproken. Met betrekking tot het verzoek tot boedelscheiding heeft de rechtbank overwogen dat op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978, en nu er geen grond is voor een uitzondering overeenkomstig artikel 7 van dit verdrag, het recht van het land van eerste huwelijksdomicilie, derhalve Filippijns recht, van toepassing is.

De geschilpunten

6. De geschilpunten tussen partijen betreffen:

- de rechtsmacht van de Nederlandse rechter (grief 1 en 2);

- de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap (grief 3).

De rechtsmacht van de Nederlandse rechter

7. De man stelt dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt. De man voert hiertoe aan dat hij bij aanvang van de echtscheidingsprocedure noch daarna gewone verblijfplaats had in Nederland, zodat de rechtbank ten onrechte haar bevoegdheid heeft gebaseerd op artikel 2, eerste lid, onder a, ten eerste, Brussel II.

Daarnaast is er - zo voert de man aan - van een "gezamenlijk verblijf" in Nederland nimmer sprake geweest, nu er bij de komst van de vrouw in Nederland direct sprake was van huwelijksproblemen. Dit brengt mee dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter evenmin kan worden gegrond op artikel 2, eerste lid, onder a, ten tweede, Brussel II.

Nu de vrouw op 12 september 2000 in Nederland is gekomen terwijl zij op 17 augustus 2001 een echtscheidingsverzoek heeft ingediend, is bovendien niet aan de voorwaarde van artikel 2, eerste lid, onder a, ten vijfde, Brussel II

- dat de verzoekende partij onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek ten minste gedurende een jaar in Nederland heeft verbleven - voldaan, aldus de man.

Het voorgaande rechtvaardigt naar de mening van de man enkel de conclusie dat de rechtbank zich onbevoegd had moeten verklaren om van het verzoek tot echtscheiding, en daarmee ook van de verzochte nevenvoorzieningen, kennis te nemen.

8. De vrouw voert hiertegen aan dat de man ten tijde van indiening van het inleidend verzoek door de vrouw gewone verblijfplaats had in Nederland. De rechtbank was derhalve op grond van artikel 2, eerste lid, onder a, ten eerste, Brussel II bevoegd van het hoofdverzoek kennis te nemen. Dit brengt mee dat de rechtbank eveneens de bevoegdheid toekwam van de nevenverzoeken kennis te nemen, nu deze nauw met het hoofdverzoek - de echtscheiding - verbonden zijn.

9. Blijkens de stukken en de behandeling in hoger beroep heeft de man de Nederlandse nationaliteit en de vrouw - als door haar onweersproken gesteld - de Filippijnse. Gelet hierop mist artikel 2, eerste lid, onder b, Brussel II toepassing zodat de bevoegde rechter moet worden vastgesteld aan de hand van één der criteria in artikel 2, eerste lid, onder a, Brussel II. Deze bepaling bevat objectieve bevoegdheidscriteria. Tussen de verschillende bevoegdheidscriteria bestaat geen rangorde, met ander woorden ze zijn alle gelijkwaardig.

10. Partijen hebben vanaf 13 maart 1995, de dag van hun huwelijkssluiting, tot april 2000 in de Filippijnen gewoond. In april 2000 is de man naar Nederland gekomen.

11. De man heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij, nadat hij in Nederland was gearriveerd, ongeveer vijf maanden bezig is geweest met de voorbereidingen voor de komst van de vrouw en haar kinderen naar Nederland. Deze voorbereidingen bestonden onder meer uit het "in orde maken van de papieren" en het met ingang van 1 mei 2000 huren van de woning aan de [adres], op welk adres de man zich vrijwel direct heeft ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (hierna GBA) van de gemeente [gemeente].

12. De vrouw is op 12 september 2000 samen met haar kinderen naar Nederland gekomen. De vrouw is vervolgens op het adres [adres] ingeschreven in het GBA van de gemeente [gemeente], alwaar zij nog steeds ingeschreven staat.

13. De man heeft ter zitting in hoger beroep erkend dat hij naar Nederland is gekomen met het voornemen zich hier ten lande te vestigen. Dit voornemen zou - gelet op de stellingen van de man - zijn gewijzigd nadat het de man in april 2001 ter kennis was gekomen dat er een (her-) nieuw(d) verdrag inzake export van sociale verzekeringen tussen Nederland en de Filippijnen zou worden gesloten, waarna de man - zo heeft hij aangevoerd - op 12 augustus 2001 definitief is teruggekeerd naar de Filippijnen.

14. Uit voormelde stellingen, in samenhang met hetgeen door de man in zijn beroepschrift is aangevoerd, namelijk dat hij ten tijde van het echtscheidingsverzoek en daarna niet zijn gewone verblijfplaats in Nederland had, leidt het hof af dat de man niet heeft bedoeld te stellen dat hij vóór indiening van het verzoek tot echtscheiding niet zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft gehad. Voor zover de man dit toch bedoeld heeft te stellen overweegt het hof het volgende.

15. De gewone verblijfplaats betreft de verblijfplaats waar de betrokkene het permanent centrum van zijn belangen heeft gevestigd, met de bedoeling daaraan een vast karakter te verlenen.

16. Gelet op de overwegingen 11, 12 en 13, en voorts gelet op het feit dat de man ten tijde van indiening van zijn verweerschrift nog ingeschreven stond op het hierna te noemen adres, is het hof van oordeel dat de man in ieder geval in de periode van september 2000, de dag van aankomst van de vrouw in Nederland, tot 12 augustus 2001 tezamen met de vrouw zijn gewone verblijfplaats heeft gehad in Nederland, namelijk op het adres [adres].

17. Nog daargelaten het antwoord op de vraag of voornoemde feiten en omstandigheden niet reeds meebrengen dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter kan worden aangenomen op grond van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder a, ten eerste, Brussel II, rechtvaardigen voornoemde feiten en omstandigheden in ieder geval de conclusie dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt op grond van artikel 2, eerste lid, onder a, ten tweede, Brussel II. Immers, Nederland was in ieder geval van september 2000, zijnde de datum van aankomst van de vrouw in Nederland, tot 12 augustus 2001 de laatste gewone verblijfplaats van partijen, terwijl Nederland sedertdien nog immer de gewone verblijfplaats is van één der partijen, te weten van de vrouw.

18. De rechtbank heeft zich derhalve terecht bevoegd verklaard om van het door de vrouw ingediende echtscheidingsverzoek kennis te nemen. Dit brengt mee dat de rechtbank tevens bevoegd was kennis te nemen van het verzoek tot scheiding en deling nu dit nevenverzoek nauw met het hoofdverzoek, het verzoek tot echtscheiding, verbonden is.

De verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap

19. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap naar Filippijns recht heeft gelast. Dit vanwege het feit dat het Filippijnse recht geen echtscheiding kent en dus ook niet de als gevolg van een echtscheiding te verdelen huwelijksgoederengemeenschap.

20. De vrouw voert hiertegen aan dat het Filippijnse recht wel degelijk de mogelijkheid van echtscheiding kent.

Indien en zodra deze zogenoemde "legal seperation" door de rechter is uitgesproken, ontstaat er op grond van het Filippijnse recht bovendien de verplichting de gemeenschap van goederen, mits deze aanwezig is, te gaan delen, aldus de vrouw.

21. Voor zover de man heeft bedoeld te stellen dat de rechtbank ten onrechte de verdeling heeft gelast nu het Filippijnse recht niet voorziet in de mogelijkheid van echtscheiding, zal het hof aan deze stelling voorbij gaan. Immers, of het Filippijnse recht al dan niet de mogelijkheid kent om van echt te scheiden doet niet terzake nu op het verzoek tot echtscheiding door de - bevoegde Nederlandse - rechter het Nederlandse recht dient te worden toegepast.

22. Daarnaast is de stelling van de man, voor zover deze luidt dat het Filippijnse recht in zijn algemeenheid geen verdeling van een gemeenschap kent, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet komen vast te staan. Het standpunt van de vrouw wordt ook ondersteund door de overgelegde tekst van de betreffende wetsartikelen uit het Filippijns wetboek.

23. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de rechtbank terecht de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap naar Filippijns recht

- tegen toepassing waarvan de man geen grief heeft aangevoerd - gelast.

Slotsom

24. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden bekrachtigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Aldus gegeven door mrs Boon, voorzitter, Melssen en Zwinkels, raden, en uitgesproken door mr Steppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 21 augustus 2002.