Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE6386

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-06-2002
Datum publicatie
09-08-2002
Zaaknummer
WAHV 02-00278
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11, geldigheid: 2002-06-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 02/00278

19 juni 2002

CJIB 35598930

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Utrecht

van 28 februari 2002

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. De kantonrechter heeft, uitgaande van zijn vaststelling dat de betrokkene niet binnen de in art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard.

3.2. De betrokkene stelt, dat hij in november 2001 het door hem te betalen bedrag aan zekerheid heeft overgemaakt op de rekening van het CJIB. Ter staving van zijn stelling heeft hij een bankafschrift overgelegd, waaruit blijkt dat op 20 november 2001 een bedrag van f 168,75, het bedrag van de sanctie ad f 90,-, vermeerderd met eerste en tweede verhoging, is overgemaakt op de rekening van het CJIB. Gelet op het door de betrokkene te betalen bedrag na de tweede verhoging, te weten f 168,75, acht het hof het aannemelijk dat de betrokkene het bedrag heeft overgemaakt bij wege van zekerheid voor de onderhavige sanctie.

3.3. Hetgeen de betrokkene stelt, wordt bevestigd door informatie van het CJIB. Daarom moet ervan worden uitgegaan, dat de betrokkene zekerheid heeft gesteld.

3.4. Volgens het CJIB is op 11 januari 2002 door het CJIB een bedrag van f 168,75 op de rekening van de betrokkene teruggestort, omdat de betrokkene bij de betaling het beschikkingsnummer niet heeft vermeld. Nu de gestelde zekerheid kennelijk wegens een administratieve onvolkomenheid aan de betrokkene is teruggestort, had de kantonrechter, alvorens de betrokkene wegens het niet stellen van zekerheid niet-ontvankelijk te verklaren, een nieuwe termijn dienen te bepalen waarbinnen de betrokkene opnieuw zekerheid als bedoeld in art. 11 WAHV had kunnen stellen. Het hof zal derhalve de beslissing van de kantonrechter vernietigen en de zaak terugwijzen naar de rechtbank, opdat de kantonrechter de betrokkene opnieuw in de gelegenheid stelt het bedrag aan zekerheid ad f 90,- te betalen.

3.5. Voorts verdient het volgende nog opmerking. Bij de stukken van het geding bevinden zich de mededelingen omtrent de zekerheidstelling, te weten een brief van 12 november 2001 en een brief van 11 december 2001 van de officier van justitie aan de betrokkene. Geen van beide brieven kan worden aangemerkt als een mededeling als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV, gelet op het navolgende. In beide brieven schrijft de officier van justitie het beroep pas aan de kantonrechter te zullen voorleggen als hij na de bestudering van de zaak niet tot vernietiging van de inleidende beschikking zou besluiten. De brieven voldoen daardoor niet aan het bepaalde in art. 11, derde lid, WAHV, en wel omdat de brieven door hetgeen de officier van justitie schrijft onzekerheid oproepen met betrekking tot de noodzaak tot het stellen van zekerheid.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank te Utrecht ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door mr. Vellinga, in tegenwoordigheid van mr. Bennen als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.