Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE6384

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-06-2002
Datum publicatie
09-08-2002
Zaaknummer
WAHV 02-00329
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9, geldigheid: 2002-06-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 02/00329

19 juni 2002

CJIB 39736833

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Zwolle

van 28 februari 2002

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Zwolle ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van f 250,-- opgelegd ter zake van "zich links bevinden van de doorgetrokken streep tussen rijstroken / op paden met verkeer in beide richtingen", welke gedraging zou zijn verricht op 15 januari 2001 op de Provinciale weg N348 in de gemeente Dalfsen met een voertuig met het kenteken 94-GF-JH. In de beschikking wordt als feitcode vermeld R616B.

3.2. De betrokkene stelt, zo begrijpt het hof, dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden het opleggen van de administratieve sanctie niet billijken dan wel, dat gelet op de omstandigheden waarin hij verkeerde, een lager bedrag dan de opgelegde sanctie vastgesteld had moeten worden. Hiertoe voert hij aan, dat de gedraging onderdeel was van een inhaalmanoeuvre waarmee hij was begonnen op het moment dat zich links van hem een onderbroken streep bevond. Door de verkeerssituatie heeft hij eerst weer kunnen invoegen nadat de

- gelet op de rijrichting - voor hem geldende onderbroken streep was overgegaan in een doorgetrokken streep. Nu hij derhalve de inhaalmanoeuvre op geoorloofde wijze was begonnen, zou het niet billijk zijn dat de bestreden gedraging hem wordt verweten.

3.3. De bij voormelde feitcode behorende gedraging is een overtreding van het voorschrift van art. 62 in verbinding met art. 76, eerste lid, sub a, RVV 1990.

Art. 62 RVV 1990 luidt:

Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.

Art. 76, eerste lid, sub a, RVV 1990 houdt in:

Een doorgetrokken streep heeft de volgende betekenis:

a. indien de streep zich bevindt tussen rijstroken dan wel op paden, met verkeer in beide richtingen: bestuurders mogen de streep niet naar links overschrijden en zich niet links van de streep bevinden, tenzij aan de rechter zijde van de doorgetrokken streep een onderbroken streep is aangebracht.

3.4. Nu het verbod van art. 76, eerste lid, sub a, RVV 1990 als zelfstandig verbod inhoudt het zich links van de doorgetrokken streep bevinden, de stellingen van de betrokkene impliceren dat hij zich links van de doorgetrokken streep bevond en niet is gebleken dat aan de rechterzijde van de doorgetrokken streep een onderbroken streep is aangebracht, staat daarmee naar de overtuiging van het hof vast dat de gedraging is verricht. Dat de inhaalmanoeuvre correct is begonnen doet daaraan niet af. Derhalve kunnen de omstandigheden die de betrokkene aanvoert geen omstandigheden vormen die het opleggen van de onderhavige sanctie niet billijken. Evenmin rechtvaardigen die omstandigheden dat een lager bedrag dan de opgelegde sanctie vastgesteld had moeten worden.

3.5. Met betrekking tot de stelling van de betrokkene dat er voldoende gelegenheid voor de verbalisant was om de betrokkene staande te houden, overweegt het hof het volgende. Art. 5 WAHV moet aldus worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd (HR 1 februari 2000, VR 2000, 104). Het aanvullend proces-verbaal, op 28 juni 2001 op ambtseed opgemaakt door E.W. Nekkers houdt - onder meer - in: "Aangezien ik niet in de mogelijkheid was om betrokkene staande te houden heb ik op kenteken bekeurd en de gele bon naar kentekenhouder opgestuurd." Dit aanvullend proces-verbaal vindt bevestiging in het zaakoverzicht waaruit blijkt dat de betrokkene eerst de dienstauto en een personenauto heeft ingehaald en toen nog een vrachtauto. Naar 's hofs oordeel heeft de verbalisant tot uitdrukking gebracht en ook kunnen brengen dat zich aldus geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan, zodat de stelling van de betrokkene niet aannemelijk is geworden. Uit dit zaakoverzicht blijkt tenslotte ook dat de verbalisant - anders dan de betrokkene veronderstelt - van meet af aan een inhaalmanoeuvre in twee etappes heeft beschreven.

3.6. Gelet op het vorenoverwogene dient de beslissing van de kantonrechter te worden bevestigd.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr. Muntinga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.